English - Dutch 1
English - Dutch 2
Dutch - English 1
Dutch - English 2
100

a lake 

een meer

100

intelligent

intelligent

100

een grot

a cave

100

een paraplu

an umbrella

200

careful

voorzichtig

200

a decision

een keuze

200

een ervaring

an experience

200

plaatselijk

local

300

decisive

beslissend, doorslaggevend

300

an accident

een ongeluk

300

inspanning

effort

300

uitrusting

equipment

400

north face

noordelijke kant

400

prompts

hulpmiddelen

400

geschikt

qulified

400

een prestatie

an achievement

M
e
n
u