Taken in het huishouden
levensfases
het perfectum
het imperfectum
preposities
100
Alles op de de tafel zetten als je gaat eten =

de tafel dekken

100

een persoon boven de 18 jaar

een volwassene

100

Ik ... de tafel ... (dekken)

Ik heb de tafel gedekt.

100

Hij ... zijn rijbewijs toen hij 23 jaar was. 

Hij behaalde zijn rijbewijs.

100

Hij is gestopt ... roken.

Hij is gestopt MET roken.

200

Alles van de tafel halen na het eten = 

de tafel afruimen

200

een kind tussen 12 en 18 jaar.

een jongere, een tiener, een puber

200

Ik ... naar Antwerpen ... (verhuizen)

Ik ben naar Antwerpen verhuisd.

200

De kinderen ... hun ouders in het huishouden. (helpen)

De kinderen hielpen hun ouders in het huishouden.

200

Ik moet de kinderen nog ophalen ... school.

Ik moet de kinderen nog ophalen van school.

300

Ik doe thuis de ... : ik doe kleine reparaties.

Ik doe thuis de klusjes.

300

een oude persoon

een bejaarde

300

Mijn zus... alles ... (afwassen).

Mijn zus heeft alles afgewassen.

300

Wij ... vorig jaar een appartement. (kopen)

Wij kochten vorig jaar een appartement.

300

De les stopt ... 12.30 uur. 

OM 12.30u.

400
Ik doe de afwas en mijn man ... ... . 

En mijn man droogt af.

400

een kind tussen 2.5 en 6 jaar

een kleuter

400

Mijn vader ... ... met werken.

Hij is gestopt met werken.

400

Zij ... de was ... . (ophangen)

Zij hing/hingen de was op.

400

Zij is geboren ... 20 maart 1984

OP 20 maart 1984.

500

... jij 's ochtend je bed ... ?

Maak jij 's ochtends je bed op?

500
een kind tussen 1 en 2,5 jaar 

een peuter

500

Gisteren ... ik alles kleren ... . (strijken)

Gisteren heb ik alle kleren gestreken.

500

Mijn man ... altijd de kinderen naar school.

Mijn bracht de kinderen naar school.

500
... 2018 ben ik naar België gekomen. 

IN 2018

M
e
n
u