Vind jij Nederlands leuk?
Ja, ik vind het leuk.
Nee, ik vind het niet leuk.
(leuk vinden + geen prepositie = het)
Hou jij van chocolade?
Ja, ik hou ervan.
Nee, ik hou er niet van.
(houden + prepositie 'van'= er)
Ga jij vanavond het huiswerk maken?
Ja, ik ga het vanavond maken.
Nee, ik ga het vanavond niet maken.
(gaan maken + geen prepositie= het)
Hebben jullie naar de beelden op het stadhuis gekeken?
Ja, wij hebben ernaar gekeken.
Nee, wij hebben er niet naar gekeken.
(kijken+ prepositie 'naar' = er)
Heb jij de fles wijn opgedronken?
Ja, ik heb het opgedronken.
Nee, ik heb het niet opgedronken
(opdrinken+ geen prepositie = het)
Weet jij iets van computers?
Ja, ik weet er iets van.
Nee, ik weet er niets van.
(weten + prepositie 'van' : er)
Praat jij soms over je problemen?
Ja, ik praat er soms over.
Nee, ik praat er niet soms over.
(praten + prepositie 'over': er)
Heb jij de nieuwe film van Brad Pitt gezien?
Ja, ik heb het gezien.
Nee, ik heb het niet gezien.
(zien + geen prepositie = het)
Begrijp jij de nieuwe grammatica?
Ja, ik begrijp het.
Nee, ik begrijp het niet.
(begrijpen + geen 'prepositie' : het)
Heb jij al voor het examen gestudeerd?
Ja, ik heb er al voor gestudeerd.
Nee, ik heb er nog niet voor gestudeerd.
(studeren + prepositie 'voor' = er)
Lach jij soms om grappige video’s?
Ja, ik lach er soms om.
Nee, ik lach er niet om.
(lachen + prepositie 'om'= er)
Ben jij tevreden met je resultaten?
Ja, ik ben er tevreden mee .
Nee, ik ben er niet tevreden mee.
(tevreden + prepositie 'met' : er + met >mee)