Inkomen en Welvaart
Geld genoeg?
Internationale handel
Belastingen
Economie algemeen
100

Wat is koopkracht?

Wat je kunt kopen met je Euro rekening houdend met de prijzen in je inkomen.

100

Hoe heet de lening die je afsluit om een huis te kopen?

Hypotheek of hypothecaire lening

100

Wat zijn invoerrechten?

Heffingen die bovenop de prijs van buitenlandse producten worden gelegd. Hierdoor worden buitenlandse producten duurder. 

100

Een indirecte belasting is een belasting die je niet rechtstreeks aan de overheid betaalt maar eerst aan een winkel die de belasting vervolgens afstaat aan de belastingdienst. Noem een voorbeeld van een dergelijke indirecte belasting!

BTW of Accijns

100

Jij bent een consument en koopt bij de Sting een shirt voor een bedrag van € 80,-. Ben jij vrager of aanbieder?

Je bent vrager, je wilt het product kopen

200

Wat is schaarste?

Er zijn productiemiddelen gebruikt om het product te maken. Er zijn kosten gemaakt

200

Noem de 3 soorten uitgaven!

Dagelijkse uitgaven

Vaste lasten

Incidentele uitgaven

200

Wat is wederuitvoer?

Een land koopt producten in die het zonder ze te bewerken doorverkoopt aan andere landen

200

Welke 2 BTW-tarieven zijn er in Nederland?

9% en 21%

200

Jij bent werkloos en op zoek naar werk. Jij solliciteert naar een baan bij tankstation Esso. Je voert een gesprek en wacht in spanning af of je wordt aangenomen. Ben jij vrager naar werk of aanbieder van werk.

Jij bent aanbieder van werk. (Je biedt je arbeid aan, je biedt aan om voor iemand te werken). 

300

Bereken de reële inkomensverandering!

Je hebt er van je baas dit jaar 5,8% bij gekregen. De inflatie was 3,2%

2,6%

300

Noem de drie functies van geld!

Ruilmiddel

Rekenmiddel

Spaarmiddel

300

Wat is contingentering?

Je beperkt de hoeveelheid die andere landen mogen invoeren in de EU

300

Hoe heet een belastingstelsel waarbij de rijken relatief meer belasting betalen dan de armeren?

Progressief belastingstelsel

300

De omzet is € 400.000,-. De inkoopwaarde is € 160.000,- De bedrijfskosten zijn € 35.000,- Bereken het nettoresultaat en vermeld of het een winst of een verlies is. 

Omzet              400.000
Inkoopwaarde   160.000
Brutowinst        240.000
Kosten                35.000
Nettowinst        205.000

400

Wat zijn maatschappelijke kosten?

Kosten die betaald worden door de maatschappij uit de belastingpot

400

Je leent € 4.000,- en betaalt deze in 14 termijnen van € 424,- terug. Hoe hoog zijn de kredietkosten?

€ 424 x 14 = € 5.936,-

Lening € 4.000,-

€ 5.936 - € 4.000 = € 1.936,-

400

Het nationaal inkomen is € 2,75 mld. De exportwaarde is € 0,356 mld. De importquote is 25,9%. Bereken de exportquote en vertel of het hier gaat om een gesloten of een open economie. 

12,9% (0.356 : 2,75) x 100

Gesloten economie

400

Iemand heeft dit jaar € 24.800,- Loonbelasting betaald. Na het doen van belastingaangifte blijkt dat deze persoon € 25.600,- had moeten betalen. Wat is de consequentie?

Deze persoon moet een naheffing betalen van € 800,-

400

Arbeidsproductiviteit is wat één werknemer kan maken binnen een bepaalde tijd. Noem een mogelijkheid waarmee de arbeidsproductiviteit in een bedrijf zou kunnen gaan stijgen. 

1) Technologische ontwikkeling
2) Scholing
3) Prestatiebeloning

500

Wat wordt bedoeld met duurzaam consumeren?

Je koopt iets waarbij je rekening houdt met mens en milieu. Bijvoorbeeld biologisch vlees of een fairtrade product zoals Max Havelaarkoffie

500

Wat is een spaardeposito?

Een spaarrekening waarop je je geld voor langere tijd vastzet (de rente is daardoor hoger omdat je niet aan het geld kunt komen).

500

Wat wordt bedoeld met harmonisatie?

Het op elkaar afstemmen en het gelijktrekken van regels binnen de EU

500
De prijs van een product is € 489,- inclusief 21 % BTW. Hoeveel is de prijs zonder de BTW?

€ 404,13

(489 : 121 x 100)

500

Noem twee kenmerken van een oligopolie zoals de markt van smartphones is!

1) Een marktvorm met slechts een paar aanbieders en veel vragers.

2) Er wordt een heterogeen product geproduceerd

M
e
n
u