jij - veel - drink - cola - ?
Drink jij veel cola?
koop - brood - waar - jij - ?
Waar koop jij brood?
op - de - maak - oefeningen - de - jij - computer ?
Maak jij de oefeningen op de computer?
brengt - de - wie - naar - kinderen - school - ?
Wie brengt de kinderen naar school?
het - in - loop - jij - het - weekend - in - park - ?
Loop jij in het weekend in het park?
gaan - naar - zee - wanneer - zij - de - ?
Wanneer gaan zij naar de zee?
zij - een - gisteren - gelezen - boek - heeft - ?
Heeft zij gisteren een boek gelezen?
jouw - hoe - poets - vaak - tanden - jij - ?
Hoe vaak poets jij jouw tanden?
naar - jij - gekeken - het - gisteren - nieuws - heb - ?
Heb jij gisteren naar het nieuws gekeken?
op - bus - welke - neem - jij - maandag?
Welke bus neem jij op maandag?