AVOIR
ETRE
AVOIR OU ETRE
100
ik heb gegeten

j'ai mangé

100

ik ben geboren

je suis né (e)

100

ik heb een cola gedronken

j'ai bu un coca

200

ik heb tv gekeken

j'ai regardé la télévision

200
hij is dokter geworden

il est devenu médecin

200

zij heeft de film gezien

elle a vu le film

300

ik heb een brief gelezen

j'ai lu une lettre

300
hij is op tijd aangekomen

il est arrivé à temps

300
ze is naar school gegaan

elle est allée à l'école

400

ik heb een e-mail geschreven

j'ai écrit un e-mail

400

jij bent naar binnen gegaan

tu es entré

400

jullie zijn ziek geweest

vous avez été malade

500

ik ben moe geweest

j'ai été fatigué

500

ze zijn teruggekeerd 

ils sont retournés 
500

jullie hebben geluk gehad

vous avez eu de la chance

M
e
n
u