AVOIR
j'ai mangé
ik ben geboren
je suis né (e)
ik heb een cola gedronken
j'ai bu un coca
ik heb tv gekeken
j'ai regardé la télévision
il est devenu médecin
zij heeft de film gezien
elle a vu le film
ik heb een brief gelezen
j'ai lu une lettre
il est arrivé à temps
elle est allée à l'école
ik heb een e-mail geschreven
j'ai écrit un e-mail
jij bent naar binnen gegaan
tu es entré
jullie zijn ziek geweest
vous avez été malade
ik ben moe geweest
j'ai été fatigué
ze zijn teruggekeerd
jullie hebben geluk gehad
vous avez eu de la chance