Maak de zin passief.
Maak de zin passief.
Maak de zin passief.
Maak de zin passief.
100

De politie arresteert de verdachte

De verdachte wordt gearresteerd (door de politie). 

100

De dokter heeft de patiënt behandeld

De patiënt is behandeld. 


(perfectum: vorm van zijn+ participium)

100

De moeder heeft de tafel gedekt

De tafel is gedekt. 

(perfectum: vorm van zijn+ participium)


100

De ober serveert het eten

Het eten wordt geserveerd. 


(presens: word(en) + participium) 

200

De dief stal de laptop.

De laptop werd gestolen.


(imperfectum:  werd(en)  + participium)

200

De overheid organiseert in mijn stad de grootste marathon van België.

De grootste marathon van België wordt in mijn stad georganiseerd. 


(presens: word(en) + participium) 

200

De winkel verkocht veel producten.

Veel producten werden verkocht. 


(imperfectum:  werd(en)  + participium)

200

De technicus heeft het probleem opgelost

Het probleem is opgelost. 

(perfectum: vorm van zijn+ participium)


300

De leraar heeft de toets verbeterd.

De toets is verbeterd. 


(perfectum: vorm van zijn+ participium)

300

De agenten ondervroegen de getuige.

De getuige werd ondervraagd.


(imperfectum:  werd(en)  + participium)

300

De student zal de oefening later nog maken.

De oefening zal later nog gemaakt worden. 


(futurum: vorm van zullen+ participium+ worden) 

300

De leraar legde de grammatica uit.

De grammatica werd uitgelegd. 


(imperfectum:  werd(en)  + participium)

400

De chef had het eten klaargemaakt

Het eten was klaargemaakt. 


(plusquamperfectum: vorm van waren+ participium)

400

De gids zal de groep begeleiden

De groep zal begeleid worden.


(futurum: vorm van zullen + participium+ worden)

400

De journalist had het nieuws gepubliceerd.


Het nieuws was gepubliceerd. 

(plusquamperfectum: vorm van waren+ participium)

400

De journalist zal volgende week de reportage over Gaza maken.

De reportage over Gaza zal volgende week gemaakt worden. 


(futurum: vorm van zullen + participium+ worden)

M
e
n
u