praten over vandaag
praten over vandaag
praten over vandaag
praten over vandaag
100

Ik fiets. 

Ik heb vandaag (niet) gefietst. 

100

Het regent.

Het heeft vandaag (niet) geregend.

100

Ik werk.

Ik heb vandaag (niet) gewerkt.

100

Ik luister naar de radio. 

Ik heb (vandaag) niet naar de radio geluisterd.

200

Ik wandel met mijn hond. 

Ik heb vandaag (niet) met mijn hond gewandeld.

200

Ik kook pasta.

Ik heb vandaag (geen) pasta gekookt. 

200

Ik teken.

Ik heb vandaag (niet) getekend.

200

Ik speel kaart. 

Ik heb vandaag (geen) kaart gespeeld.

300

Ik drink koffie. 

Ik heb vandaag (geen) koffie gedronken.

300

Ik loop.

Ik heb vandaag (niet) gelopen.

300

Ik doe boodschappen.

Ik heb vandaag (geen) boodschappen gedaan.

300

Ik eet frietjes. 

Ik heb vandaag (geen) frietjes gegeten.

400

 Ik ontbijt. 

Ik heb vandaag (niet) ontbeten. 

400

Ik schrijf een brief.

Ik heb vandaag (geen) brief geschreven.

400


Ik lees een boek. 

Ik heb vandaag (g)een boek gelezen.
400

De zon schijnt. 

De zon heeft vandaag (niet) geschenen.

500

Ik zwem. 

Ik heb vandaag (niet) gezwommen. 

500

Ik verjaar.

Ik ben vandaag (niet) verjaard.

500

Ik ga naar de fitness.

Ik ben vandaag (niet) naar de fitness gegaan. 

500

Ik eet fruit. 

Ik heb vandaag (geen) fruit gegeten.

M
e
n
u