Mijn voornaam is Hugo.
[X] heet Hugo.
ik
Mijn naam is Joost Smeukens. [X] ben jullie leraar.
ik
Jouw moedertaal is Frans. [X] spreekt Frans.
jij=je
Mijn vriendin heet Anna. [X] komt uit Duitsland.
Ik en mijn papa spreken Nederlands. [X] komen uit België.
Wij/we
De studenten studeren Nederlands. [X] studeren Nederlands.
zij=ze
Hij
De vrouw van Alexander spreekt Frans. [X] komt uit Frankrijk.
Zij/Ze
Stromea komt uit België. [X] spreekt Frans.
hij
Jij en Eva komen uit Nederland. [X] komen uit Nederland.
Jouw voornaam is Pierre. [X] heet Pierre.
jij= je
Ik en mijn vriend komen uit België. [x] spreken Frans en Nederlands.
Wij=we
Ik en mijn vriendin wonen in Leuven. [X] komen uit België.
wij=we
Barack en Michelle komen uit de Verenigde Staten. [X] spreken Engels.
Bart en Anna zijn man en vrouw. [X] komen uit Duitsland.
Zij=ze