Kijk naar de foto. Maak een goede zin.
Wat doet de man?
Hij ontbijt.
Wat doet Jens?
Hij neemt een douche. / Hij doucht.
Wat doet de vrouw?
Zij gaat slapen.
Wat doen de kinderen?
Zij eten (een warme maaltijd).
Wat doen de kinderen?
Zij lunchen.
Zij eten lunch.
Wat doet de man?
Hij staat op.
Wat doet de familie Peeters?
Zij komen thuis.
Wat doet Philippe?
Hij begint te werken.