boodschappen doen
Heb je (gisteren) boodschappen gedaan?
Bus nemen?
Heb je gisteren de bus genomen?
Voetballen?
Heb je (gisteren) gevoetbald?
Nederlands praten?
Heb je (gisteren) Nederlands gepraat?
Feest vieren
Heb je gisteren feest gevierd?
pasta eten
Heb je (gisteren) pasta gegeten?
Film kijken?
Heb je gisteren een film gekeken?
naar het nieuws kijken?
Heb je gisteren naar het nieuws gekeken?
Goed slapen?
Heb je (gisteren) goed geslapen?
Nederlands leren
Heb je gisteren Nederlands geleerd?
fietsen?
Heb je (gisteren) gefietst?
koffie drinken
Heb je gisteren koffie gedronken?
lekker koken?
Heb je gisteren lekker gekookt?
met familie bellen
Heb je (gisteren) met familie gebeld?
Sporten?
Heb je gisteren gesport?
tanden poetsen?
Heb je gisteren je tanden gepoetst?
winkelen?
Heb je gisteren gewinkeld?
wandelen?
Heb je (gisteren) gewandeld?
naar de markt gaan?
Ben je gisteren naar de markt gegaan/geweest?
Videobellen?
Heb je gisteren gevideobeld?