A
B
C
D
E
100

boodschappen doen

Heb je (gisteren) boodschappen gedaan?

100

Bus nemen?

Heb je gisteren de bus genomen?

100

Voetballen?

Heb je (gisteren) gevoetbald?

100

Nederlands praten?

Heb je (gisteren) Nederlands gepraat?

100

Feest vieren

Heb je gisteren feest gevierd?

200

pasta eten

Heb je (gisteren) pasta gegeten?

200

Film kijken?

Heb je gisteren een film gekeken?

200

naar het nieuws kijken?

Heb je gisteren naar het nieuws gekeken?

200

Goed slapen?

Heb je (gisteren) goed geslapen?

200

Nederlands leren

Heb je gisteren Nederlands geleerd?

300

fietsen?

Heb je (gisteren) gefietst?

300

koffie drinken

Heb je gisteren koffie gedronken?

300

lekker koken?

Heb je gisteren lekker gekookt?

300

met familie bellen

Heb je (gisteren) met familie gebeld?

300

Sporten?

Heb je gisteren gesport?

400

tanden poetsen?

Heb je gisteren je tanden gepoetst?

400

winkelen?

Heb je gisteren gewinkeld?

400

wandelen?

Heb je (gisteren) gewandeld?

400

naar de markt gaan?

Ben je gisteren naar de markt gegaan/geweest?

400

Videobellen?

Heb je gisteren gevideobeld? 

M
e
n
u