A
B
C
100

Ik heb een ... (drinken). 

Ik heb een cola gedronken.

100

Ik heb vandaag mijn lesgever ... (zien). 

Ik heb vandaag mijn lesgever gezien. 

100
Hij heeft zijn hemd (strijken). 
Hij heeft zijn hemd gestreken.
200

Hij ... de rekening betaald.

Hij heeft de rekening betaald. 

300

Ik ... van de trap ... (vallen). 

Ik ben van de trap gevallen.

400

Ze dansen tot middernacht. 

Ze hebben tot middernacht gedanst.
400

Ze vragen eerst de prijs. 

Ze hebben eerst de prijs gevraagd.

M
e
n
u