A
Ik heb een ... (drinken).
Ik heb een cola gedronken.
Ik heb vandaag mijn lesgever ... (zien).
Ik heb vandaag mijn lesgever gezien.
Hij ... de rekening betaald.
Hij heeft de rekening betaald.
Ik ... van de trap ... (vallen).
Ik ben van de trap gevallen.
Ze dansen tot middernacht.
Ze vragen eerst de prijs.
Ze hebben eerst de prijs gevraagd.