Als kind - naar school gaan (imperfectum)
Als kind ging ik (niet) graag naar school.
Elke ochtend - koffie drinken
Elke ochtend drink ik (niet) graag koffie.
wandelen - in het weekend
Ik wandel (niet) graag in het weekend.
Toen ik jong was - buiten spelen (imperfectum)
Toen ik jong was, speelde ik (niet) graag buiten.
gisteren - naar de markt gaan (perfectum)
Gisteren ben ik (niet) graag naar de markt gegaan.
een museum bezoeken - vorige maand (perfectum)
Ik heb vorige maand (niet) graag een museum bezocht.
in het weekend werken - jij?
Werk jij graag in het weekend?
Als kind - groenten eten (imperfectum)
Als kind at ik (niet) graag groenten.
naar de zee gaan - Lola? (imperfectum)
Ging Lola graag naar de zee?
voor een grote groep spreken
Ik spreek (niet) graag voor een grote groep.
Jullie - naar Spanje reizen?
Reizen jullie graag naar Spanje?
Vanmorgen - vroeg opstaan (perfectum)
Vanmorgen ben ik (niet) graag vroeg opgestaan.