Separabele verba (syllabus p.106)
Separabele verba (syllabus pp.106-107)
Separabele verba (syllabus p.107)
Separabele verba (syllabus pp.107-108)
Separabele verba (syllabus p.108)
100

(opendoen) - de deur - ze 


Start de zin met 'ze'. Maak een zin in het presens.

Ze doet de deur open. 

100

(opwarmen) - hij- zijn maaltijd- in de microgolfoven


Start de zin met 'hij'. Maak een zin in het presens.

Hij warmt zijn maaltijd in de microgolfoven op. 

100

(opstaan) - hoe laat - jij - vanmorgen


Start de vraag met 'hoe laat '. Maak een vraag in het perfectum.

Hoe laat ben jij vanmorgen opgestaan?

100

(meenemen) - mijn moeder-  snoepjes - voor mij


Start de zin met het woord 'mijn moeder'. Maak een goede zin in het imperfectum.

Mijn moeder nam snoepjes voor mij mee. 

100

(aantrekken) - een extra trui - je 


Maak een goede bijzin: Je zal het warmer hebben als...

Je zal het warmer hebben als je een extra trui aantrekt. 


(separabel verbum + katapult > schrijf het als één woord)

200

(uitgaan) -Elk weekend - mijn kinderen- tot 4u 's morgens


Start de zin met 'Elk weekend'. Maak een zin in het presens.

Elk weekend gaan mijn kinderen uit tot 4u 's morgens. 

200

(klaarmaken) - mijn moeder -een heerlijke maaltijd


Start de zin met 'mijn moeder'. Maak een zin in het perfectum.

Mijn moeder heeft een heerlijke maaltijd klaargemaakt. 

200

(dichtdoen) - ik - de gordijnen - om de warmte binnen te houden


Start de zin met 'ik'. Maak een zin in het perfectum.

Ik heb de gordijnen dichtgedaan om de warmte binnen te houden. 

200

(aandoen) - toen hij thuiskwam- het licht- hij


Start de zin met de woorden 'toen hij thuiskwam'. Maak een goede zin in het imperfectum.

Toen hij thuiskwam, deed hij het licht aan. 

(toen + katapult, inversie in de tweede zin)

200

(opstaan) - altijd om 7u30- hij 


Maak een goede bijzin: Hij zegt dat...

Hij zegt dat hij altijd om 7u30 opstaat. 


(separabel verbum + katapult > schrijf het als één woord)

300

(opladen) - hij- zijn gsm- meestal 's nachts


Start de zin met 'hij'. Maak een zin in het presens.

Hij laadt meestal 's nachts zijn gsm op. 


(Hij laadt zijn gsm meestal 's nachts op  is ook correct, maar de eerste zin is beter:TeMPo > tijd voor object) 

300

(aanzetten) - de verwarming - we - want we hadden het koud. 


Start de zin met 'we'. Maak een zin in het perfectum.

We hebben de verwarming aangezet want we hadden het koud. 

300

(opendoen) - ik - de deur 


Start de zin met het woord 'ik'. Maak een goede zin in het imperfectum.

Ik deed de deur open. 

300

(uitdoen) - alle lichten - hij- toen hij naar zijn werk ging


Start de zin met de woorden 'toen hij naar zijn werk ging'. Maak een goede zin in het imperfectum.

Toen hij naar zijn werk ging, deed hij alle lichten uit. 


(toen + katapult, inversie in de tweede zin) 

300

(uitgaan) - te vaak en te laat- mijn jongste dochter


Maak een goede bijzin: Ik vind dat...

Ik vind dat mijn jongste dochter te vaak en te laat uitgaat. 


(separabel verbum + katapult > schrijf het als één woord)

400

(aanzetten) - jij - de verwarming - 's nachts?


Start de vraag met het verbum. Maak een vraag in het presens.

Zet jij 's nachts de verwarming aan? 


(Zet jij de verwarming 's nachts aan? is ook correct, maar de eerste zin is grammaticaal beter: TeMPo> tijd voor object) 

400

(aantrekken) - ze - haar mooiste kleren- voor het feest


Start de zin met 'ze'. Maak een zin in het perfectum.

Ze heeft haar mooiste kleren voor het feest aangetrokken. 

(ook correct: Ze heeft haar mooiste kleren aangetrokken voor het feest.)

400

(aantrekken) - vroeger - ik - altijd een jeans en T-shirt


Start de zin met het woord 'vroeger'. Maak een goede zin in het imperfectum.

Vroeger trok ik altijd een jeans en een T-shirt aan. 

400

(samenwerken) - wij - vandaag


Maak een goede bijzin:  Ik ben blij dat...

Ik ben blij dat we vandaag samenwerken. 


(separabel verbum + katapult > schrijf het als één woord)

400

(uitnodigen) - hij - mij - voor het feest 


Maak een goede bijzin: Ik hoop dat...

Ik hoop dat hij mij voor het feest uitnodigt. 

(Ook correct: Ik hoop dat hij mij uitnodigt voor het feest)


(separabel verbum + katapult > schrijf het als één woord)

500

(uittrekken) - als ik thuiskom - mijn schoenen- altijd - ik 


Start de zin met 'als ik thuiskom'. Maak een zin in het presens.

Als ik thuiskom, trek ik altijd mijn schoenen uit. 


(Als + katapult, inversie in de tweede zin) 

500

(afspreken) - gisteren- met mijn beste vriend- ik - om een pintje te gaan drinken


Start de zin met 'gisteren'. Maak een zin in het perfectum.

Gisteren heb ik met mijn beste vriend afgesproken om een pintje te gaan drinken. 

500

(uitgaan) - vroeger- vaak - ik 


Start de zin met het woord 'vroeger'. Maak een goede zin in het imperfectum.

Vroeger ging ik vaak uit. 

500

(afzetten) - jouw computer - na gebruik - je 


Maak een goede bijzin: Ik wil dat ...

Ik wil dat je jouw computer na gebruik afzet. 

(Ook correct: Ik wil dat je jouw computer afzet na gebruik) 


(separabel verbum + katapult > schrijf het als één woord)

M
e
n
u