Serie/Parallel
Wet van Ohm
Elektriciteit in huis
Schakelingen
Vermogen
100

Wat gebeurt er met de andere lampjes in een serieschakeling als één lampje kapotgaat?

Dan gaan alle lampjes uit.

100

Welke drie grootheden horen bij de wet van Ohm?

Spanning

Stroom

Weerstand

100

Hoe groot is de spanning in een Nederlands stopcontact?

230V

100

Welk apparaat gebruik je om de stroomsterkte te meten?

Ampèremeter of stroommeter

100

In welke eenheid meten we vermogen?

Watt (W)

200

In heb twee lampjes parallel staan met elkaar. De spanning van de voeding is 12 V. Hoe groot is de spanning over elk lampje? 

12V

200

Een weerstand is 10 Ω en er loopt 2 A doorheen. Bereken de spanning.

R = U / I

U = R * I = 10 * 2 = 20V

200

Noem de drie kleuren draden in een normaal elektriciteitssnoer/aansluiting en hun functie.

Nul draad (blauw) - Afvoerdraad , 0 V

Fase draad (bruin) - Aanvoerdraad , 230 V

Aarde draad (geel/groen) - Verbind het apparaat met de aarde, tegen stroom schokken.

200

Moet een ampèremeter in serie of parallel worden aangesloten?

in serie.

200

Een apparaat staat 3 minuten aan. Op het apparaat staat dat deze 200W gebruikt.  

Hoeveel energie heeft dit apparaat in deze 3 minuten gebruikt?

E = P x t
P = 200W
t = 3 min = 180 s

E = 200 * 180 = 36000 J


300

Twee weerstanden van 10 Ω en 20 Ω staan in serie. Bereken de vervangingsweerstand.

Rv = R1 + R2

Rv = 30 Ω

300

Over een weerstand van 20 Ω staat 12 V. Bereken de stroomsterkte.

R = U / I

I = U / R = 20 / 12 = 1,7 A

300

Wat is de functie van een zekering?

Verkomt overbelasting door uit te gaan bij een stroom groter dan 16A

300

Teken een schakeling met een batterij, schakelaar en twee lampjes die parallel staan.

300

Een apparaat werkt op 12 V en gebruikt 2 A. Bereken het vermogen.

P = U * I
U = 12 V
I = 2 A

P = 12 x 2 = 24 W

400

Twee weerstanden van 10 Ω en 20 Ω staan in Parallel. Bereken de vervangingsweerstand.

1/Rv = 1/R1 + 1/R2

1/Rv = 1/10 + 1/20 = 0.15

Rv = 1/0.15 = 6,7 Ω

400

Een apparaat is aangesloten op 230 V en heeft een weerstand van 115 Ω. Bereken de stroomsterkte.

R = U / I

I = U / R = 230 / 115 = 2A

400

Waarom worden apparaten in huis parallel en niet in serie aangesloten?

Als er 1 kapot gaat doet de rest het nog.

400

Je wilt de spanning over een lamp én de stroom door de lamp meten. Leg uit waar je de voltmeter en ampèremeter aansluit.

De ampèremeter sluit je in serie aan.

De voltmeter sluit je parallel aan.

400

Een lamp van 50 W brandt 4 uur. Bereken het energiegebruik in kWh.

E = P * t

P = 50 W = 0,05kW
t= 4 uur

E = 0,05 * 4 = 0,20 kWh

500

Een weerstand van 10 Ω staat in serie met twee parallelle weerstanden van 20 Ω en 20 Ω. Bereken de totale weerstand.

Bij twee gelijke weerstanden in parallel is de vervangingsweerstand de helft. 

de 10 Ω weerstand staat in serie met de vervangingsweerstand van 10 Ω.

Rt = R1 + Rv = 10 + 10 = 20 Ω

500

Door een weerstand loopt 0,50 A. De spanning wordt verdubbeld, terwijl de weerstand gelijk blijft. Wat gebeurt er met de stroomsterkte? Leg uit.

Als de spanning wordt verdubbeld wordt de stroom ook verdubbeld. de stroom wordt dus 1 A

500

Een waterkoker van 2300 W en een föhn van 1800 W zijn aangesloten op dezelfde groep. Leg uit waarom dit een probleem kan opleveren.

Dan gaat er te veel stroom door een kabel en dan kan deze te warm worden. (brandgevaar)

500

Een leerling sluit een ampèremeter per ongeluk parallel over een batterij aan. Waarom is dit gevaarlijk/fout?

Hierdoor maak je kortsluiting. De ampèremeter heeft bijna geen weerstand en hierdoor ontstaat een hele grote stroom.

500

Een apparaat gebruikt 460 W en is aangesloten op 230 V. Het staat 30 minuten aan. Bereken zowel de stroomsterkte als het energiegebruik in kWh.

P = U * I

I = P / U = 460 /230 = 0,5 A

E = P x t
P = 460 W = 0,46 kW
t = 30 min = 0,5 h

E = 0,46 * 0,5 = 0,23 kWh

M
e
n
u