koken
Heb je gisteren gekookt?
Ja, ik heb gisteren gekookt.
Nee, ik heb gisteren niet gekookt.
in de zetel liggen
Heb je gisteren in de zetel gelegen?
Ja, ik heb gisteren in de zetel gelegen.
Nee, ik heb gisteren niet in de zetel gelegen.
boodschappen doen
Heb je gisteren boodschappen gedaan?
Ja, ik heb gisteren boodschappen gedaan.
Nee, ik heb gisteren geen boodschappen gedaan.
stofzuigen
Heb je gisteren gestofzuigd?
Ja, ik heb gisteren gestofzuigd.
Nee, ik heb gisteren niet gestofzuigd.
naar tv kijken
Heb je gisteren naar tv gekeken?
Ja, ik heb gisteren naar tv gekeken.
Nee, ik heb gisteren niet naar tv gekeken.
de kleren strijken
Heb je gisteren de kleren gestreken?
Ja, ik heb gisteren de kleren gestreken.
Nee, ik heb gisteren niet de kleren gestreken.
een e-mail sturen
Heb je gisteren een e-mail gestuurd?
Ja, ik heb een e-mail gestuurd.
Nee, ik heb geen e-mail gestuurd.
een regenjas dragen
Heb je gisteren een regenjas gedragen?
Ja, ik heb gisteren een regenjas gedragen.
Nee, ik heb gisteren geen regenjas gedragen.
fitnessen
Heb je gisteren gefitnest?
Ja, ik heb gisteren gefitnest.
Nee, ik heb gisteren niet gefitnest.
een traditionele maaltijd klaarmaken
Heb je gisteren een traditionele maaltijd klaargemaakt?
Ja, ik heb gisteren een traditionele maaltijd klaargemaakt.
Nee, ik heb gisteren geen traditionele maaltijd klaargemaakt.
fruit eten
Heb je gisteren fruit gegeten?
Ja, ik heb gisteren fruit gegeten.
Nee, ik heb gisteren geen fruit gegeten.
het bed opmaken
Heb je gisteren het bed opgemaakt?
Ja, ik heb gisteren het bed opgemaakt.
Nee, ik heb gisteren het bed niet opgemaakt.
rusten
Heb je gisteren gerust?
Ja, ik heb gisteren gerust.
Nee, ik heb gisteren niet gerust.
de vuilniszakken buitenzetten
Heb je gisteren de vuilniszakken buitengezet?
Ja, ik heb gisteren de vuilniszakken buitengezet.
Nee, ik heb gisteren de vuilniszakken niet buitengezet.
in de regen wandelen
Heb je gisteren in de regen gewandeld?
Ja, ik heb gisteren in de regen gewandeld.
Nee, ik heb gisteren niet in de regen gewandeld.
het openbaar vervoer nemen
Heb je gisteren het openbaar vervoer genomen?
Ja, ik heb gisteren het openbaar vervoer genomen.
Nee, ik heb gisteren het openbaar vervoer niet genomen.
met je familie bellen
Heb je gisteren met je familie gebeld?
Ja, ik heb gisteren met mijn familie gebeld.
Nee, ik heb gisteren niet met mijn familie gebeld.
de afwas doen
Heb je gisteren de afwas gedaan?
Ja, ik heb gisteren de afwas gedaan.
Nee, ik heb gisteren niet de afwas gedaan.
naar de cinema gaan
Ben je gisteren naar de cinema gegaan?
Ja, ik ben gisteren naar de cinema gegaan.
Nee, ik ben gisteren niet naar de cinema gegaan.
naar muziek luisteren
Heb je gisteren naar muziek geluisterd?
Ja, ik heb gisteren naar muziek geluisterd.
Nee, ik heb gisteren niet naar muziek geluisterd.