Present perfect & present perfect continuous
Gerund & Infinitive
Past simple & past continuous
Past simple & present perfect
Welke tijd hoort deze regel bij?
100

Wat is het meest belangrijke verschil tussen de Present Perfect & Present perfect continuous

De tijdsdruk

100

Hoe maak je de infinitive en hoe maak je de gerund?

Infinitive: to+hele werkwoord

Gerund: Hele Werkwoord + ING

100

Wat is de present continuous en hoe past de past simple hierbij?

De present continuous geeft een langere gebeurtenis in het verleden en de past simple onderbreekt deze gebeurtenis

100

Wat is het grootste verschil tussen de past simple en de present perfect?

De past simple is in het verleden gebeurt en heeft géén invloed meer op het heden, de present perfect is in het verleden begonnen, maar heeft nog wel invloed op het heden.

100

Dingen die een poosje hebben geduurd, meerdere keren zijn voorgekomen of eengewoonte zijn.

Present perfect continuous

200

They...(to wait) for hours!

have been waiting

200

The old lady said that she would like... (to make) a reservation for next Saturday.

to make

200

Mary was watching TV, when John ...(to fall) down the stairs

Fell

200

Last week, I ...(to sit) down on a piece of cake. My whole dress was ruined.

sat

200

Dingen die in het verleden 1 keer zijn gebeurd, en/of in combinatie met never.

Present perfect

300

I...(never, to play) the piano

have never played
300

...(to smoke) kills more people than sharks.

Smoking

300

I...(to cycle) down the street, when I suddenly heard a Big Bang.

was cycling

300

I can't come to Amsterdam, I...(to break) my nose.

have broken

300

Na werkwoorden die 'iets zeggen' uitdrukken, zoals agree, promise,  demand,  forbid en refuse;

Infinitive

400

The team is going to win, because they...(to practice)

Noem ook de regel die hierbij hoort.

have been practicing.


Iets in het heden is een gevolg van het verleden, maar alleen als dit een poosjeheeft geduurd, meerdere keren is voorgekomen, of een gewoonte is (because, so).

400

I would avoid...(to speak) with your ex, because she is crazy.

Noem ook de regel die hierbij hoort.

Speaking.


Na de specifieke werkwoorden avoid, consider, give up, go on, keep, manage, mind, prefer, recommend, start, stop en suggest

400

They...(to drink) when I...(to arrive).

Were drinking, arrived

400

I....(never, to be) to Mars, but I...(to go) to Brussels last week.

Have never been, went

400

Na voorzetsels (after, before, while, at etc.)

Gerund

500

They...(to wait)for hours.


Noem ook de regel die hierbij hoort.

Have waited.

Iets is in het verleden begonnen en is nog steeds bezig

500

I tend ... (to speak) a bit high when I am exited. 

Noem ook de regel die hierbij hoort.

to speak.

To learn, to manage, to fail en to tend; hierbij gebruik je ALTIJD infinitive

500

While I...(to study), I...(to see) the woman who robbed us last week.

was studying, saw

500

Sansa and Cersei ...(to know) each other since they ...(to be) at primary school.

have known, were

500

Iets is in het verleden gebeurd én afgelopen.

Past simple

M
e
n
u