FAMILIE/GEZIN
TALENT
HOBBY
GELIJKENIS
NOG LEVEN
100

Ik spreek elke dag met mijn familie.

Hoe vaak/dikwijls spreek jij met je familie?

100

Ja, ik kan goed zwemmen.

Kan jij goed zwemmen?

100

Mijn ouders fietsen graag. 

Wat doen jouw ouders graag?

100

Ja, mijn zoon lijkt op mij. 

Lijkt jouw zoon op jou? 

100

Mijn nonkel is gestorven op 80-jarige leeftijd.

Op welke leeftijd is jouw nonkel gestorven? 

200

Ik heb een groot gezin.

Heb jij een groot of een klein gezin?

200

Nee, mijn tantes kunnen niet goed koken.

Kunnen jouw tantes goed koken?

200

Ja, ik kijk graag tv. 

Kijk jij graag tv? 

200

Nee, wij lijken niet op elkaar. 

Lijken jullie op elkaar?
200

Nee, mijn broer leeft nog.

Is jouw broer al gestorven?

300

Ik vind een grote familie leuk.

Hoe vind jij een grote familie? 

Wat vind jij van een grote familie?

300

Mijn nonkels kunnen goed voetballen. 

Wat kunnen jouw nonkels goed?

300

Mijn tante zwemt graag. 

Wat doet jouw tante graag? 

300

Ik lijk het meest op mijn vader.

Op wie lijk jij het meest?
300

Nee, mijn grootouders zijn al gestorven. 

Leven jouw grootouders nog? 

M
e
n
u