Ik spreek elke dag met mijn familie.
Hoe vaak/dikwijls spreek jij met je familie?
Ja, ik kan goed zwemmen.
Kan jij goed zwemmen?
Mijn ouders fietsen graag.
Wat doen jouw ouders graag?
Ja, mijn zoon lijkt op mij.
Lijkt jouw zoon op jou?
Mijn nonkel is gestorven op 80-jarige leeftijd.
Op welke leeftijd is jouw nonkel gestorven?
Ik heb een groot gezin.
Heb jij een groot of een klein gezin?
Nee, mijn tantes kunnen niet goed koken.
Kunnen jouw tantes goed koken?
Ja, ik kijk graag tv.
Kijk jij graag tv?
Nee, wij lijken niet op elkaar.
Nee, mijn broer leeft nog.
Is jouw broer al gestorven?
Ik vind een grote familie leuk.
Hoe vind jij een grote familie?
Wat vind jij van een grote familie?
Mijn nonkels kunnen goed voetballen.
Wat kunnen jouw nonkels goed?
Mijn tante zwemt graag.
Wat doet jouw tante graag?
Ik lijk het meest op mijn vader.
Nee, mijn grootouders zijn al gestorven.
Leven jouw grootouders nog?