Let bij de verba op de vorm en de tijd.
Mijn man______ ’s nachts heel luid.
(verbum)
snurkt
(ook correct: ademt)
Hij drukte op de snooze van de _____________om nog tien minuten te slapen.
(substantief)
wekker
Ze besloot een middagdutje doen.
Ze besloot een middagdutje te doen.
Hij durfde ’s nachts niet alleen in het donker slapen.
Hij durfde ’s nachts niet alleen in het donker (te) slapen.
(bij durven : 'te' is optioneel)
's avonds koffie drinken > kruidenthee drinken
In plaats van ’s avonds veel koffie te drinken, zou je beter kruidenthee drinken.
Ik ga vanmiddag een uur __________________, want ik ben vannacht heel vaak wakker geworden dus heb onvoldoende geslapen.
(verbum)
bijslapen / een dutje doen
Ik was deze ochtend vroeg wakker omdat ik door lawaai op straat ________________ .
(verbum)
wakker werd
De dokter raadde hem aan eerder gaan slapen.
De dokter raadde hem aan eerder te gaan slapen.
Hij vergeet vaak op tijd naar bed gaan.
Hij vergeet vaak op tijd naar bed te gaan.
over je werk stressen > ontspanningsoefeningen doen
In plaats van te stressen over je werk ’s avonds, zou je beter ontspanningsoefeningen doen.
Toen Alice zwanger was, kon ze moeilijk de slaap vatten omdat zij over de bevalling _________________ .
(verbum)
piekerde
Ik moet dringend mijn slaapprobleem ______________ omdat ik meer moet slapen om te kunnen functioneren.
(verbum)
aanpakken (een probleem aanpakken)
Wij zullen in het weekend uitslapen.
Wij zullen in het weekend uitslapen.
(verandert niet: modaal verbum + geen 'te')
Hij blijft de hele middag in zijn bed liggen omdat hij erg moe is.
Hij blijft de hele middag in zijn bed liggen omdat hij erg moe is.
(verander niet: blijven + geen 'te')
laat opblijven -> vroeg naar bed gaan
In plaats van laat op te blijven, zou je beter vroeg naar bed gaan.
Ik heb een _______________ aan slaap omdat ik maar twee uur per nacht slaap.
(substantief)
tekort
Ik lig meestal 25 minuten in bed voordat ik __________________________.
(verbum)
in slaap val / de slaap vat.
Ik hoor hem altijd snurken.
Ik hoor hem altijd snurken.
(verandert niet: horen+ geen 'te')
Ze liet haar partner uitslapen in het weekend.
Ze liet haar partner uitslapen in het weekend.
(verandert niet: laten + geen 'te')
je telefoon naar bed meenemen > je telefoon in de keuken laten
In plaats van je telefoon mee naar bed te nemen, zou je beter je telefoon in de keuken laten.
Mijn kind ________________________________ : hij wordt 's nachts niet meer wakker dus kunnen wij, de ouders, ook beter slapen.
(verbum)
slaapt (aan een stuk) door.
Ik kan ’s avonds niet stil in bed liggen, mijn benen bewegen steeds vanzelf dus ik heb last van _____________benen
(adjectief)
rusteloze
Mijn mama wenst morgenvroeg uit te slapen dus ik zal haar niet lastigvallen.
wenst + te infinitief
zal + infinitief = verander niet (modaal verbum)
Je mag vandaag wat langer blijven liggen omdat je hoopt bijslapen.
Je mag vandaag wat langer blijven liggen omdat je hoopt bij te slapen.
(mag + infinitieven zonder 'te' = modaal verbum)
(hoopt + te + infinitief)
piekeren > gedachten opschrijven
In plaats van te piekeren, zou je beter je gedachten opschrijven.