naar je dokter luisteren
Luister naar je dokter.
veel water drinken
Drink veel water.
elke dag wandelen
Wandel elke dag.
een afspraak maken
Maak een afspraak.
naar school fietsen
Fiets naar school.
naar de dokter gaan
Ga naar de dokter.
8u per nacht slapen
Slaap 8 uur per nacht.
Nederlands spreken
Spreek Nederlands.
een appel eten
Eet een appel.
boodschappen doen
Doe boodschappen.
niet veel snoepen
Snoep niet veel.
advies aan de dokter vragen.
Vraag advies aan de dokter.
thuisblijven
Blijf thuis.
naar de dokter bellen
Bel naar de dokter.
je jas uitdoen
Doe je jas uit.
veel groenten eten
Eet veel groenten.
vroeg gaan slapen
Ga vroeg slapen.
je tanden poetsen
Poets je tanden.
om 7 uur opstaan
Sta om 7 uur op.
je handen wassen
Was je handen.
je tong uitsteken
Steek je tong uit.
je medicijnen innemen
Neem je medicijnen in.
diep inademen
Adem diep in.
gaan zitten
Ga zitten.
traag uitademen
Adem traag uit.