Maak een instructie met de imperatief
Maak een instructie met de imperatief
Maak een instructie met de imperatief
Maak een instructie met de imperatief
Maak een instructie met de imperatief
100

 naar je dokter luisteren

Luister naar je dokter.

100

veel water drinken

Drink veel water.

100

elke dag wandelen

Wandel elke dag. 

100

een afspraak maken

Maak een afspraak. 

100

naar school fietsen

Fiets naar school.

200

naar de dokter gaan

Ga naar de dokter.

200

8u per nacht slapen

Slaap 8 uur per nacht.

200

Nederlands spreken

Spreek Nederlands. 

200

een appel eten

Eet een appel.

200

boodschappen doen

Doe boodschappen.

300

niet veel snoepen

Snoep niet veel.

300

advies  aan de dokter vragen.

Vraag advies aan de dokter.

300

thuisblijven

Blijf thuis.

300

naar de dokter bellen

Bel naar de dokter.

300

je jas uitdoen

Doe je jas uit.

400

veel groenten eten

Eet veel groenten.

400

vroeg gaan slapen

Ga vroeg slapen.

400

je tanden poetsen

Poets je tanden.

400

om 7 uur opstaan

Sta om 7 uur op.

400

je handen wassen

Was je handen.

500

je tong uitsteken 

Steek je tong uit.

500

je medicijnen innemen 

Neem je medicijnen in. 

500

diep inademen 

Adem diep in. 

500

gaan zitten

Ga zitten.

500

traag uitademen

Adem traag uit.

M
e
n
u