Kolom 1
Kolom 2
Kolom 3
Kolom 4
Kolom 5
100

een traditioneel gerecht uit je land klaarmaken

Heb je dit weekend een traditioneel gerecht uit je land klaargemaakt?

100

boodschappen doen

Heb je dit weekend boodschappen gedaan?

100

naar het park fietsen

Ben je dit weekend naar het park gefietst?

100

een pijnstiller innemen

Heb je dit weekend een pijnstiller ingenomen?

100

naar muziek luisteren

Heb je dit weekend naar muziek geluisterd?

200

met de auto rijden

Heb je dit weekend met de auto gereden?

200

naar een rommelmarkt gaan

Ben je dit weekend naar een rommelmarkt gegaan?

200

naar de huisarts gaan

Ben je dit weekend naar de huisarts gegaan?

200

het huishouden doen

Heb je dit weekend het huishouden gedaan?

200

naar een museum gaan

Ben je dit weekend naar een museum gegaan?

300

naar tv kijken

Heb je dit weekend naar tv gekeken?

300

een bericht delen op sociale media

Heb je dit weekend een bericht gedeeld op sociale media?

300

Nederlands studeren

Heb je dit weekend Nederlands gestudeerd?

300

gezelschapsspelletjes spelen

Heb jij dit weekend gezelschapsspelletjes gespeeld?

300

ziek zijn

Ben je dit weekend ziek geweest?

400

van de trap vallen

Ben je dit weekend van de trap gevallen?

400

vroeg opstaan

Ben je dit weekend vroeg opgestaan?

400

op bezoek gaan bij vrienden

Ben je dit weekend op bezoek gegaan bij vrienden?

400

boos zijn

Ben je dit weekend boos geweest?
400

ballonnen opblazen

Heb je dit weekend ballonnen opgeblazen?

500

koekjes bakken

Heb je dit weekend koekjes gebakken?
500

de rekeningen betalen

Heb je dit weekend de rekeningen betaald?

500

een boek lezen

Heb je dit weekend een boek gelezen?

500

de trein nemen

Heb je dit weekend de trein genomen?

500

taart kopen

Heb je dit weekend taart gekocht?

M
e
n
u