dieren
lichaamsdelen
klaslokaal
kledij
werkwoorden
100

Dit dier leeft in je huis en is familie van de tijger.

De kat.

100

Met dit lichaamsdeel kijk je.

Het oog

100

In dit voorwerp stop je pennen en potloden.

De pennenzak
100

Dit kledingstuk doe je buiten aan over je andere kleren omdat het koud is.

De jas

100

Om dit te doen gebruik je je ogen.

kijken

200

Dit dier is een roze vogel.

De flamingo

200

Dit lichaamsdeel is een deel van je hand.

De vinger

200

Dit voorwerp hangt voor het raam.

Het gordijn

200

Dit kledingstuk zet je op je hoofd als je het koud hebt.

De muts

200

Dit doe je 's nachts.

slapen

300

Dit dier leeft in de bossen van Loppem en bijt graag in je huid.

De teek

300

Dit dier heeft 4 poten en draagt zijn huis op zijn rug.

De schildpad

300

Dit voorwerp projecteert een powerpoint op het scherm.

De beamer

300

Met dit onderdeel van een jas doe je hem dicht.

De rits

300

Schrijf de zin die hetzelfde betekent als: 'Snap je het?'

Begrijp je het?

400

Dit dier leeft in China en is zwart met wit.

De panda

400

Dit dier heeft 4 poten en een gewei. Het heeft witte vlekjes.

Het hert

400

Aan dit voorwerp zit een leerkracht.

De bureau

400

Dit lange kledingstuk doen meisjes aan.

De jurk

400
Als je niet mag praten, moet je ...

zwijgen

500

Dit dier kan 150 jaar worden.

De schildpad

500

Dit dier is het kindje van een schaap.

Het lam

500

Met dit voorwerp knip je een blad middendoor.

De schaar

500

Dit kledingstuk is voor aan je benen en heeft twee pijpen.

De broek

500

Een boek moet je ...

lezen

M
e
n
u