Wörter DU>NL
Wörter NL>DU
Imperativ + Konjunktionen
Adjektive + Präpositionen
Vergangenheit
100
die Folge

het gevolg

100

de stamppot

der Eintopf

100

Van welke drie persoonsvormen kun je een gebiedende wijs vormen?

enkelvoud: jij / du

meervoud: jullie / ihr

beleefdheidsvorm: u / Sie

100

Noem de merkwoorden van de uitgangen van de der-groep (lidwoorden).

RESE (der, die, das, die)

SARASAR (Singer-Songwriter) (des, der, des, der)

MARAMAN (MEERMAN) (dem, der, dem, den+n)

NESE (den, die, das, die)

100

hoe maak je het voltooid deelwoord van regelmatige werkwoorden?

ge + stam + t

200

der Grund

de reden

200

de spier

der Muskel

200

Maak de gebiedende wijs in alle drie vormen van "kommen".

Komm!

Kommt!

Kommen Sie!

200

Noem de voorzetsels met de 3e naamval en de 4e naamval

3e: aus, bei, mit, nach, seit, von, zu, außer, gegenüber, entgegen

4e: durch, ohne, für, entlang, gegen, um, bis

200

Vertaal: ik was, ik had, ik werd

Ich war, ich hatte, ich wurde

300

die Beschwerde

de klacht

300

de snelheid

die Geschwindigkeit

300

Maak de gebiedende wijs van alle drie vormen van "geben".

Gib!

Gebt!

Geben Sie!

300

Noem de keuzevoorzetsels en de 7/2-regel

an, auf, über, unter, vor, hinter, neben, zwischen, in

auf/über --> 4e nv, rest --> 3e naamval

300

Vertaal: ik ben geweest, ik heb gehad, ik ben geworden

Ich bin gewesen, ich habe gehabt, ich bin geworden

400

absichtlicht

opzettelijk

400

het salaris

das Gehalt

400

Noem de twee vertalingen van "wanneer" met uitleg.

1. wann - als het om tijd gaat

2. wenn - als het om een voorwaarde gaat

400
Bij welke naamvallen en geslachten heb je -en als uitgang van een bijvoegelijk naamwoord?

alle 2e nv, alle 3e nv, alle mv,

4e nv mannelijk

(sleutel-vorm)

400

Vertaal:

Ik heb gestudeerd.

Hij praatte.

Ich habe studiert.


Er redete.

500

die Entscheidung

de beslissing

500

zich veroorloven

sich leisten
500

Noem de drie vertalingen van "maar" met uitleg

1. aber - bij een beperking

2. sondern - bij een tegenstelling na een ontkenning

3. nur - in de betekenis van 'slechts'

500

Wat zijn de uitgangen van de bijvoegelijke naamwoorden buiten de sleutel?

der-groep: -e

ein-groep: -er, -e, -es, - e, -es

500

Vertaal: Marco werkte altijd hard. Hij rekende erop dat hij ooit manager zou worden. Dat is hem niet gelukt.

Marco arbeitete immer hart. Er hat damit gerechnet, dass er mal Manager würde. Das hat er nicht geschafft.

M
e
n
u