Ik kan niet naar de les komen. Mijn dochter is ziek.
Ik kan niet naar de les komen omdat mijn dochter ziek is.
Mijn man heeft rugpijn. Hij werkt elke dag in de tuin.
Mijn man heeft rugpijn omdat hij elke dag in de tuin werkt.
Ik heb een zakdoek nodig. Ik moet niezen. 
Ik heb een zakdoek nodig omdat ik moet niezen.
Wij blijven thuis. Wij hebben koorts.
Wij blijven thuis omdat wij koorts hebben.
Ik heb pijn aan mijn nek. Ik werk de hele dag op de computer.
Ik heb pijn aan mijn nek omdat ik de hele dag op de computer werk.
Ik ga vandaag niet naar de les. Ik ben verkouden.
Ik ga vandaag niet naar de les omdat ik verkouden ben.
Mijn vriendin heeft oorpijn. Zij luistert naar luide muziek.
Mijn vriendin heeft oorpijn omdat zij naar luide muziek luistert.
De kinderen hebben pijn aan hun knieën. Ze voetballen elke dag.
De kinderen hebben pijn aan hun knieën omdat ze elke dag voetballen.
Mijn zoon heeft buikpijn. Hij eet te veel snoep.
Mijn zoon heeft buikpijn omdat hij te veel snoep eet.
Wij hebben pijn aan onze schouders. We spelen veel tennis.
We hebben pijn aan onze schouders omdat we veel tennis spelen.
Mijn kinderen hebben tandpijn. Zij poetsen hun tanden niet.
Mijn kinderen hebben tandpijn omdat zij hun tanden niet poetsen.
Ik kom niet naar de les. Ik heb vandaag geen zin.
Ik kom niet naar de les omdat ik vandaag geen zin heb.
Ik heb keelpijn. Ik moet veel hoesten.
Ik heb keelpijn omdat ik veel moet hoesten.
Ik heb pijn aan mijn voeten. Mijn schoenen zijn te klein.

Ik heb pijn aan mijn voeten omdat mijn schoenen te klein zijn.
Ik heb hoofdpijn. Ik heb veel stress voor mijn examen.
Ik heb hoofdpijn omdat ik veel stress voor mijn examen heb.
Ik ben moe. Ik slaap 4 uur per nacht.
Ik ben moe omdat ik 4 uur per nacht slaap.