Mijn verjaardag is _____ 15 mei.
Mijn verjaardag is op 15 mei.
Het feest duurt _____ middernacht.
Het feest duurt tot middernacht.
Zij kiest _____ een opleiding verpleegkunde.
Zij kiest voor een opleiding verpleegkunde.
Hij loopt _____ de brug.
Hij loopt over/op de brug.
De kat springt _____ het raam naar buiten.
De kat springt door het raam naar buiten.
De fietsers rijden _____ de rivier.
De fietsers rijden langs de rivier.
Ajeena is verliefd … Omar.
Ajeena is verliefd op Omar.
Hij studeert hier _____ 2022, dus al 4 jaar.
Hij studeert hier sinds 2022, dus al 4 jaar.
__________ morgen heb je een andere leerkracht, omdat ik dan op vakantie vertrek.
Vanaf morgen heb je een andere leerkracht, omdat ik dan op vakantie vertrek.
Kun je hier zijn _____ kwart voor acht- tien voor acht?
Kun je hier zijn rond kwart voor acht- tien voor acht?
Ik kijk elke dag … het journaal van zeven uur.
Ik kijk elke dag naar het journaal van zeven uur.
Hij klaagt _____ zijn rugpijn.
Hij klaagt over zijn rugpijn.
Ik maak me zorgen … je gedrag: wat scheelt er toch?
Ik maak me zorgen over je gedrag: wat scheelt er toch?
De cursisten nemen deel _____ de workshop.
De cursisten nemen deel aan de workshop.
We wachten _________het resultaat.
We wachten op het resultaat.
Elke dag denkt die man … zijn overleden vrouw.
Elke dag denkt die man aan zijn overleden vrouw.
Ze gelooft … de kracht van homeopathie.
Ze gelooft in de kracht van homeopathie.
De kinderen lachen _____ de grappige film.
De kinderen lachen om de grappige film.
Het kind is bang _____ spinnen.
Het kind is bang voor spinnen.
Heb jij al … de directeur over dat project gepraat?
Heb jij al met de directeur over dat project gepraat?
Stop toch … roken! Dat is echt ongezond.
Stop toch met roken! Dat is echt ongezond.
Ik heb nu geen tijd: ik moet me voorbereiden … mijn examen Nederlands.
Ik heb nu geen tijd: ik moet me voorbereiden op mijn examen Nederlands.
Hij solliciteert _____ een baan als technicus.
Hij solliciteert naar een baan als technicus.
Mijn grootvader vertelt vaak … de oorlog.
Mijn grootvader vertelt vaak over de oorlog.
We beginnen _____ de vergadering.
We beginnen met de vergadering.