Preposities
Preposities
Preposities
Preposities
preposities
100

Mijn verjaardag is _____ 15 mei.

Mijn verjaardag is op 15 mei.

100

Het feest duurt _____ middernacht.

Het feest duurt tot middernacht.

100

Zij kiest _____ een opleiding verpleegkunde.

Zij kiest voor een opleiding verpleegkunde. 

100

Hij loopt _____ de brug.

Hij loopt over/op de brug.

100

De kat springt _____ het raam naar buiten.

De kat springt door het raam naar buiten.

200

De fietsers rijden _____ de rivier.

De fietsers rijden langs de rivier.

200

Ajeena is verliefd … Omar.

Ajeena is verliefd op Omar.

200

Hij studeert hier _____ 2022, dus al 4 jaar. 

Hij studeert hier sinds 2022, dus al 4 jaar.

200

__________ morgen heb je een andere leerkracht, omdat ik dan op vakantie vertrek.

Vanaf morgen heb je een andere leerkracht, omdat ik dan op vakantie vertrek.

200

Kun je hier zijn _____ kwart voor acht- tien voor acht?

Kun je hier zijn rond kwart voor acht- tien voor acht?

300

Ik kijk elke dag … het journaal van zeven uur.

Ik kijk elke dag naar het journaal van zeven uur.

300

Hij klaagt _____ zijn rugpijn.

Hij klaagt over zijn rugpijn. 

300

Ik maak me zorgen … je gedrag: wat scheelt er toch?

Ik maak me zorgen over je gedrag: wat scheelt er toch?

300

De cursisten nemen deel _____ de workshop.

De cursisten nemen deel aan de workshop.

300

We wachten _________het resultaat.

We wachten op het resultaat.

400

Elke dag denkt die man … zijn overleden vrouw.

Elke dag denkt die man aan zijn overleden vrouw.

400

Ze gelooft … de kracht van homeopathie.

Ze gelooft in de kracht van homeopathie.

400

De kinderen lachen _____ de grappige film.

De kinderen lachen om de grappige film.

400

Het kind is bang _____ spinnen.

Het kind is bang voor spinnen.

400

Heb jij al … de directeur over dat project gepraat?

Heb jij al met de directeur over dat project gepraat?

500

Stop toch … roken! Dat is echt ongezond.

Stop toch met roken! Dat is echt ongezond.

500

Ik heb nu geen tijd: ik moet me voorbereiden … mijn examen Nederlands.

Ik heb nu geen tijd: ik moet me voorbereiden op mijn examen Nederlands.

500

Hij solliciteert _____ een baan als technicus.

Hij solliciteert naar een baan als technicus.

500

Mijn grootvader vertelt vaak … de oorlog.

Mijn grootvader vertelt vaak over de oorlog.

500

We beginnen _____ de vergadering.

We beginnen met de vergadering.

M
e
n
u