Vul de juiste prepositie in.
Vul de juiste prepositie in.
100

Ik heb geen problemen … mijn buren.

met   (problemen hebben met) 

100

Wil je nu eens eindelijk antwoorden … mijn aanvraag?

op (antwoorden op)
200

Hij ergert zich … zijn buurman die zijn sigarettenpeuken gewoon op straat gooit.

aan (zich ergeren aan) 

200

De gemeenteraadsleden gaan akkoord … het voorstel.

met (akkoord gaan met)

300

Ik heb een aanvraag ingediend … een subsidie voor ons buurtfeest.

voor (een aanvraag indienen voor) 

300

Ga jij _________ de bijeenkomst deelnemen?

aan (deelnemen aan) 

400

Ze is boos … haar buren omdat ze de gemaakte afspraken niet naleven.

op (boos zijn op) 

400

Ze is geïnteresseerd … het buurtleven. 

in (geïnteresseerd zijn in) 

500

De burenruzie gaat …het zwerfvuil op straat. 

over (gaan over)

500

Ik weet niet of ons buurtfeest kan doorgaan. Dat hangt af …de subsidiëring die we krijgen. 

van (afhangen van iets)

M
e
n
u