Ik heb geen problemen … mijn buren.
met (problemen hebben met)
Wil je nu eens eindelijk antwoorden … mijn aanvraag?
Hij ergert zich … zijn buurman die zijn sigarettenpeuken gewoon op straat gooit.
aan (zich ergeren aan)
De gemeenteraadsleden gaan akkoord … het voorstel.
met (akkoord gaan met)
Ik heb een aanvraag ingediend … een subsidie voor ons buurtfeest.
voor (een aanvraag indienen voor)
Ga jij _________ de bijeenkomst deelnemen?
aan (deelnemen aan)
Ze is boos … haar buren omdat ze de gemaakte afspraken niet naleven.
op (boos zijn op)
Ze is geïnteresseerd … het buurtleven.
in (geïnteresseerd zijn in)
De burenruzie gaat …het zwerfvuil op straat.
over (gaan over)
Ik weet niet of ons buurtfeest kan doorgaan. Dat hangt af …de subsidiëring die we krijgen.
van (afhangen van iets)