Ik ... op mijn dochter want zij doet haar best op school.
trots
Ik vind de les ... (niet interessant)
saai
Ik ben boos ... jou.
boos op
kopen
ik heb gekocht
kopen
ik kocht
Ik ben vandaag ... ... omdat de zon schijnt.
goed gezind
We hebben een nieuw ... : een kat.
huisdier
Ik ben trots ... jou.
trots op
ik heb betaald
betalen
ik betaalde
Na een warm bad voel ik me o...
ontspannen
Op 25 december ... wij Kerstmis.
vieren
Ik ben bang ... spinnen.
bang van/voor
verhuizen
ik ben verhuisd
verhuizen
ik verhuisde
Toen ik het cadeau opendeed, was ik niet blij. Ik was t ...
teleurgesteld
Ik hou van ... ... van bloesems in de lente.
de geur
Ik ben blij ... mijn cadeau.
blij met
zingen
ik heb gezongen
zingen
ik zong
Toen mijn dochter geboren werd, was ik ... (sterke emoties hebben)
ontroerd
Op de markt in Turkije moet je over de prijs o...
onderhandelen
Ik ben verliefd ... jou.
verliefd op
toeteren
ik heb getoeterd
toeteren
ik toeterde