1
2
3
4
100

een taart bakken

Ik bakte een/geen taart.

100

naar muziek luisteren

Ik luisterde (niet) naar muziek.

100

in de tuin werken

Ik werkte (niet) in de tuin.

100

een spel spelen

Ik speelde een/geen spel.

200

schoonmaken

Ik maakte (niet) schoon.

200

wandelen in het bos

Ik wandelde (niet) in het bos.

200

puzzelen

Ik puzzelde (niet).

200

sporten

Ik sportt(niet).

300

koffie drinken*

Ik dronk (geen) koffie.

300

boodschappen doen*

Ik deed (geen) boodschappen.

300

naar een film kijken*

Ik keek (niet) naar een film.

300

uitslapen*

Ik sliep (niet) uit.

400

een boek lezen*

Ik las een/geen boek.

400

naar de markt gaan*

Ik ging (niet) naar de markt.

400

vrienden bezoeken*

Ik bezocht (geen) vrienden.

Ik bezocht mijn vrienden (niet).

400

zwemmen*

Ik zwom (niet).

500
de planten water geven*

Ik gaf de planten (geen) water.

500

samen eten*

Ik at (niet) samen.

500

een cadeau kopen*

Ik kocht een/geen cadeau.

500

de trein nemen*

Ik nam de trein (niet).

Ik nam geen trein.