1
2
3
4
100

wij / zich voelen / goed / wanneer de zon schijnt / .

--> presens

Wij voelen ons goed wanneer de zon schijnt.

100

ik / zich vervelen / nooit / in de les / .

--> presens

Ik verveel me nooit in de les.

100

elke morgen /de kinderen / zich wassen /  .

--> presens

Elke morgen wassen de kinderen zich.

100

jullie / zich amuseren / op het feest / ?

--> perfectum

Hebben jullie je op het feest geamuseerd?

200

gisteren / de student / zich verontschuldigen / voor zijn opmerking / .

--> perfectum

Gisteren heeft de student zich voor zijn opmerking verontschuldigd.

200

mijn moeder / zich vergissen / niet vaak / .      

--> presens

Mijn moeder vergist zich niet vaak.

200

je / zich moeten haasten / wat minder / .          

-->presens

Je moet je wat minder haasten.

200

mijn broertje / vallen / en / hij / zich pijn doen / .

--> perfectum

Mijn broertje is gevallen en hij heeft zich pijn gedaan.

300

Het spijt me dat ik te laat ben / maar / ik / zich verslapen / .

--> perfectum

Het spijt me dat ik te laat ben, maar ik heb me verslapen.

300

Hij maakt een fout / omdat / hij / zich niet kunnen concentreren/ .

--> presens

Hij maakt een fout omdat hij zich niet kan concentreren.

300

Jij / al / zich inschrijven / voor de studiedag / ?

--> perfectum

Heb jij je al voor die studiedag ingeschreven?

300

Jullie / zich amuseren / op de excursie.

--> perfectum

Jullie hebben je op de excursie geamuseerd.