wij / zich voelen / goed / wanneer de zon schijnt / .
--> presens
Wij voelen ons goed wanneer de zon schijnt.
ik / zich vervelen / nooit / in de les / .
--> presens
Ik verveel me nooit in de les.
elke morgen /de kinderen / zich wassen / .
--> presens
Elke morgen wassen de kinderen zich.
jullie / zich amuseren / op het feest / ?
--> perfectum
Hebben jullie je op het feest geamuseerd?
gisteren / de student / zich verontschuldigen / voor zijn opmerking / .
--> perfectum
Gisteren heeft de student zich voor zijn opmerking verontschuldigd.
mijn moeder / zich vergissen / niet vaak / .
--> presens
Mijn moeder vergist zich niet vaak.
je / zich moeten haasten / wat minder / .
-->presens
Je moet je wat minder haasten.
mijn broertje / vallen / en / hij / zich pijn doen / .
--> perfectum
Mijn broertje is gevallen en hij heeft zich pijn gedaan.
Het spijt me dat ik te laat ben / maar / ik / zich verslapen / .
--> perfectum
Het spijt me dat ik te laat ben, maar ik heb me verslapen.
Hij maakt een fout / omdat / hij / zich niet kunnen concentreren/ .
--> presens
Hij maakt een fout omdat hij zich niet kan concentreren.
Jij / al / zich inschrijven / voor de studiedag / ?
--> perfectum
Heb jij je al voor die studiedag ingeschreven?
Jullie / zich amuseren / op de excursie.
--> perfectum
Jullie hebben je op de excursie geamuseerd.