Ik wil graag meegaan naar het feest. Ik moet morgen vroeg opstaan.
(maar)
Ik wil graag meegaan naar het feest, maar ik moet morgen vroeg opstaan
Hij nam een paraplu mee. Het begon plots te regenen.
(want / omdat)
Hij nam een paraplu mee, want het begon plots te regenen.
Hij nam een paraplu mee, omdat het plots begon te regenen.
We kunnen vanavond uit eten gaan. We kunnen thuis koken.
(of)
We kunnen vanavond uit eten gaan of we kunnen thuis koken.
Zij was erg moe. Zij bleef toch verder studeren.
(maar)
Zij was erg moe, maar zij bleef toch verder studeren.
Ik stuur je een bericht. Ik kom op het station aan.
(als)
Ik stuur je een bericht als ik op het station aankom.
De leraar legde de oefening uit. De studenten luisterden aandachtig.
(terwijl)
De leraar legde de oefening uit, terwijl de studenten aandachtig luisterden.
Ik ben blij. Jij bent voor het examen geslaagd.
(dat)
Ik ben blij dat jij voor het examen geslaagd bent.
Ik ben blij dat jij voor het examen bent geslaagd.
Hij eet gezond. Hij wil fit blijven.
(omdat)
Hij eet gezond omdat hij fit wil blijven.
De kinderen speelden buiten. Hun ouders maakten het avondeten klaar.
(terwijl)
De kinderen speelden buiten, terwijl hun ouders het avondeten klaarmaakten.