Schrijven
Spreken
Grammatica
Nederlandse cultuur
Lezen
100

Schrijf een goede openingszin voor een e-mail aan je docent.

Beste meneer/mevrouw,
of
Beste docent,

100

Geef je mening over schooluniformen in 2 zinnen.

Ik vind schooluniformen goed, omdat iedereen er hetzelfde uitziet. Maar ik vind ze ook een beetje saai.

100

Maak de zin goed: “Ik ben gisteren naar school gaan.”

Ik ben gisteren naar school gegaan.

100

Noem 3 Nederlandse steden.

Voorbeelden: Amsterdam, Rotterdam, Utrecht, Den Haag, Groningen, Maastricht, Leeuwarden.

100

Lees de tekst: “Mila komt vandaag te laat op school. Haar bus had vertraging door de regen.” 

Waarom komt Mila te laat?

Mila komt te laat omdat de bus vertraging had door de regen.

200

Schrijf een korte app waarin je zegt dat je later komt en waarom.

Voorbeeld:
Hoi, ik kom vandaag iets later, want de bus is te laat. Ik ben er over tien minuten.

200

Vertel 30 seconden over je hobby. Gebruik minimaal 1 reden.

Mijn hobby is voetbal. Ik speel twee keer per week met mijn vrienden. Ik vind het leuk, omdat ik graag beweeg en samenwerk.

200

Kies: omdat / daarom: “Ik was ziek, ___ bleef ik thuis.”

Ik was ziek, daarom bleef ik thuis.

200

Wat vieren Nederlanders op Koningsdag?

Op Koningsdag vieren Nederlanders de verjaardag van de koning. Veel mensen dragen oranje, bezoeken vrijmarkten of gaan naar feesten.

200

Lees de tekst: “De schoolkantine verkoopt vanaf volgende week meer gezonde snacks, zoals fruit, yoghurt en broodjes. Chips en snoep worden minder verkocht.” 

Wat verandert er in de kantine?

De kantine gaat meer gezonde snacks verkopen. Chips en snoep worden minder verkocht.

300

Schrijf 3 zinnen waarin je iemand uitnodigt voor een feest. Noem datum, tijd en plaats.

Voorbeeld:
Hoi Sara, ik geef zaterdag een feest. Het begint om 19.00 uur bij mij thuis. Wil je ook komen?

300

Je bent het niet eens met je vriend. Zeg netjes dat je een andere mening hebt.

Ik begrijp wat je zegt, maar ik ben het niet helemaal met je eens. Ik denk dat huiswerk soms wel belangrijk is, omdat je extra kunt oefenen.

300

Maak een zin met inversie: “Ik ga morgen naar de dokter.” Begin met “Morgen…”

Morgen ga ik naar de dokter.

300

Noem 2 dingen die typisch Nederlands zijn en leg één uit.

Voorbeelden: fietsen, stroopwafels, kaas, tulpen, molens, Koningsdag, regenachtig weer.
Uitleg: Fietsen is typisch Nederlands, omdat veel mensen in Nederland met de fiets naar school, werk of de winkel gaan.

300

Lees de tekst: “Veel leerlingen vinden Nederlands moeilijk. Toch willen ze de taal graag leren, omdat ze Nederlands nodig hebben voor school, werk en contact met mensen op het eiland.” 

Noem twee redenen waarom leerlingen Nederlands willen leren.

Ze hebben Nederlands nodig voor school, werk en contact met mensen op het eiland. Twee redenen zijn genoeg.

400

Schrijf een klacht van 4 zinnen: je hebt online schoenen gekocht, maar ze zijn kapot aangekomen.

Geachte heer/mevrouw, ik heb vorige week schoenen bij u besteld. Vandaag zijn ze aangekomen, maar ze zijn kapot. Ik wil graag nieuwe schoenen ontvangen of mijn geld terug. Ik hoor graag van u.

400

Vergelijk twee opties: met de bus reizen of met de fiets reizen. Noem 1 voordeel en 1 nadeel.

Met de bus reizen is handig, omdat je niet moe wordt. Een nadeel is dat je soms lang moet wachten. Met de fiets ben je vrijer, maar als het regent is dat vervelend.

400

Zet in de verleden tijd: “Ik loop naar huis en ik koop eten.”

Ik liep naar huis en ik kocht eten. 

Ik ben naar huis gelopen en ik heb eten gekocht.

400

Wat is het verschil tussen Nederland en het Caribisch deel van het Koninkrijk?

Nederland ligt in Europa. Het Caribisch deel van het Koninkrijk ligt in het Caribisch gebied, bijvoorbeeld Bonaire, Saba en Sint Eustatius. Ze horen bij het Koninkrijk, maar het klimaat, de cultuur en de talen zijn anders.

400

Lees de tekst: “De gemeente wil dat jongeren minder afval op straat gooien. Daarom komen er meer prullenbakken bij scholen en sportvelden. Sommige jongeren vinden dit goed, maar anderen denken dat mensen hun gedrag toch niet veranderen.” 

Wat is het probleem? Wat is de oplossing?

Probleem: jongeren gooien afval op straat. Oplossing: er komen meer prullenbakken bij scholen en sportvelden.

500

Schrijf een korte meningstekst van 5 zinnen: “Leerlingen moeten minder huiswerk krijgen.” Gebruik 2 argumenten.

Voorbeeld:
Ik vind dat leerlingen minder huiswerk moeten krijgen. Ten eerste hebben veel leerlingen na school ook sport, werk of familieverplichtingen. Ten tweede hebben leerlingen rust nodig om goed te kunnen leren. Te veel huiswerk zorgt voor stress. Daarom vind ik dat scholen minder huiswerk moeten geven.

500

Houd een mini-presentatie van 1 minuut: “Waarom is Nederlands leren belangrijk?” Gebruik inleiding, 2 argumenten en afsluiting.

Vandaag vertel ik waarom Nederlands leren belangrijk is. Ten eerste helpt Nederlands op school, bijvoorbeeld bij toetsen en opdrachten. Ten tweede kun je beter praten met docenten, buren of mensen op je werk. Daarom is Nederlands leren belangrijk voor je toekomst.

500

Maak één goede zin met: hoewel / omdat / daarom.

Voorbeeld:
Hoewel ik moe was, ging ik naar school, omdat ik een toets had. Daarom was ik trots op mezelf.

Of:
Hoewel ik moe was, ging ik naar school. Ik had namelijk een toets, daarom bleef ik niet thuis.

500

In Nederland gaan veel mensen met de fiets naar school of naar het werk.
Noem twee redenen waarom fietsen belangrijk is in Nederland.

  • Het is goedkoop.
  • Het is gezond.
  • Het is goed voor het milieu.
  • Veel steden hebben goede fietspaden.
  • Afstanden zijn vaak kort.
  • Je hebt geen parkeerplaats voor een auto nodig.
500

Lees de tekst: “De school wil volgend jaar de mobiele telefoons tijdens de lessen verbieden. De directeur zegt dat leerlingen zich dan beter kunnen concentreren. Sommige leerlingen zijn het daarmee eens, omdat ze minder afgeleid willen worden. Andere leerlingen vinden het verbod vervelend, omdat ze hun telefoon soms nodig hebben voor opdrachten of om hun ouders te bereiken.” Wat wil de school veranderen? 

Noem twee verschillende meningen uit de tekst.

De school wil telefoons tijdens de lessen verbieden. Mening 1: sommige leerlingen vinden het goed, omdat ze zich beter kunnen concentreren. Mening 2: andere leerlingen vinden het vervelend, omdat ze hun telefoon soms nodig hebben.