Basis
coachhouding
GRROW
Uitdagende vragen
100

Een coach wil verder gaan dan alleen empathisch luisteren en durft de coachee meer te prikkelen. Welke vorm van coaching past hierbij?

Antwoord: Uitdagend coachen.


100

Een coach merkt dat hij te lang blijft twijfelen of een moeilijke vraag wel goed zal vallen. Wat zou hij volgens de syllabus meer moeten durven?


Antwoord: Moeilijkere/uitdagende vragen stellen zonder zich onnodig door die twijfel te laten tegenhouden.

100

Een gesprek blijft hangen in alles wat momenteel misgaat. Welke beweging wil de coach zo snel mogelijk maken?

Antwoord: Van Reality naar Goal. liften.

100

Je coachee vertelt uitgebreid wat hij allemaal niet meer wil. Jij wilt hem laten nadenken over wat hij daarvoor in de plaats wil. Welke vraagrichting kies je?


Antwoord: De verschilvraag.

200

Wat blijft volgens de syllabus de rode draad, ook wanneer een coach uitdagender gaat werken?


Empathie

200

Een coachee vertelt iets waaruit blijkt dat zijn woorden en intenties niet helemaal overeenkomen. Wat kan de coach hiermee doen?

Antwoord: Betrokken confronteren.

200

De coachee heeft gezegd wat hij wil bereiken, maar het blijft nog erg vaag. Wat doet de coach vervolgens?

Antwoord: Doorvragen tot de Goal heel concreet is, in “geuren en kleuren”.

200

Een coachee heeft een groot doel voor ogen dat nog ver weg lijkt. Je wilt het grote doel behouden, maar samen haalbare tussenstappen bepalen. Welke soort vraag helpt hierbij?

Antwoord: De tijdvraag.

300

Een coach toont inlevingsvermogen, maar vertrouwt er tegelijkertijd op dat de coachee zelf kan groeien en veranderen. Welke twee elementen worden hier gecombineerd?


Antwoord: Inlevingsvermogen + geloof in de expansiekracht van de coachee.

300

Een coach wil voorkomen dat hij het gesprek volledig overneemt. Wat moet hij met het verhaal van de coachee doen?

Antwoord: Het verhaal niet afnemen en echt luisteren.

300

Waarom kan het nuttig zijn om de Goal uitgebreider te verkennen?

Antwoord: Omdat dit hoop en uitzicht op verandering geeft en de energie van de coachee kan verhogen.

300

Een coachee zegt: “Ik kan dit echt niet.” Je vraagt: “Stel je voor dat je het wél kon. Wat zou je dan anders doen?” Welke vraagtechniek gebruik je?

Antwoord: De wondervraag/droomvraag.

400

Waarom zou een coach soms bewust een wat gewaagdere vraag stellen in plaats van voorzichtig rond het probleem te blijven draaien?

Antwoord: Om de coachee te prikkelen, tot de kern te komen en meer resultaat te bereiken.

400

Een coach wil dat de coachee zich veilig voelt, ondanks het feit dat de coach soms confronterende vragen stelt. Hoe kan hij die veiligheid ondersteunen?

Antwoord: Door o.a. discretie te garanderen, transparant te zijn en zonder oordeel te kijken.


400

Een coach stelt een moeilijke vraag, maar wil tegelijk de relatie met de coachee behouden. Welke houding is hierbij belangrijk?

Antwoord: Betrokkenheid en veiligheid binnen de coachrelatie.

400

Je spreekt je coachee over enkele maanden opnieuw. Je vraagt hem wat hij jou dan zou vertellen als de coaching succesvol is geweest. Welke techniek gebruik je?


Antwoord: De toekomstprojectievraag. 

500

Een coachee neemt weinig initiatief. Wat probeert uitdagend coachen uiteindelijk bij de coachee te stimuleren?


Antwoord: Meer lef en het beter vastnemen van actiepunten. 

500

Waarom is het belangrijk dat een coach niet te snel meegaat in alles wat een coachee vertelt?

Antwoord: Om extra door te vragen naar de echte motivatie en intenties en eventuele inconsistenties of twijfel te ontdekken.

500

Wat gebeurt er volgens de syllabus wanneer een coachee te lang verstrikt raakt in het vertellen over problemen?


Antwoord: De energie wordt weggezogen in een “bodemloze put”; de focus verschuift daarom beter terug naar de Goal.

500

Een coachee geeft aan dat hij op een bepaald vlak een 5/10 staat. Je wilt niet focussen op wat er nog ontbreekt, maar onderzoeken waarom hij al op 5 staat en wat een kleine volgende stap kan zijn. Welke vraagtechniek past hierbij?

Antwoord: De schaalvraag.