Ga op tijd slapen.
-> Je kan
Je kan beter op tijd gaan slapen.
Je moet minder tussendoortjes eten.
-> Probeer
Probeer minder tussendoortjes te eten.
Je kan beter mocktails drinken.
-> Je moet
Je moet mocktails drinken.
-> Je kan
Je kan beter nicotinepleisters proberen.
Luister naar een podcast over slapen.
-> Je moet
Je moet naar een podcast over slapen luisteren.
Je moet geen cola drinken.
-> Je kan
Je kan beter geen cola drinken.
Je moet een andere manier zoek om te ontspannen.
-> imperatief
Zoek een andere manier om te ontspannen.
Steek tijdens de pauze geen sigaret op.
-> je moet
Je moet tijdens de pauze geen sigaret opsteken.
Drink geen koffie voordat je gaat slapen.
-> Je zou
Je zou beter geen koffie drinken voordat je gaat slapen.
Je zou geen koffie kunnen drinken voordat je gaat slapen.
Je moet je gedachten opschrijven.
-> imperatief
Schrijf je gedachten op.
Je moet niet op café gaan.
-> je zou
Je zou niet op café kunnen gaan.
Je zou beter iets anders met je handen doen.
-> Imperatief
Doe iets anders met je handen.
Neem geen slaappillen in.
-> Probeer
Probeer geen slaappillen in te nemen.
Je moet naar de diëtiste gaan.
-> Je zou
Je zou beter naar de diëtiste gaan.
Je zou naar de diëtiste kunnen gaan.
Je moet geen alcohol naar feestjes meenemen.
-> Probeer
Probeer geen alcohol naar feestjes mee te nemen.
Je zou altijd kauwgom kunnen meenemen.
-> Probeer
Ga niet om middernacht slapen, maar ga vroeger slapen.
-> In plaats van...
In plaats van om middernacht te gaan slapen, zou je beter vroeger gaan slapen.
Eet stress niet weg, maar maak een wandeling.
-> In plaats van...
In plaats van stress weg te eten, zou je beter een wandeling maken.
Drink geen slaapmutsje, maar doe yogaoefeningen voordat je gaat slapen.
-> in plaats van
In plaats van een slaapmutsje te drinken, zou je beter yogaoefeningen doen voordat je gaat slapen.
Rook geen sigaret tijdens de pauze, maar ga een rondje lopen.
-> In plaats van
In plaats van een sigaret tijdens de pauze te roken, zou je beter een rondje gaan lopen.