Vul een juist pronomen in. [x]
Vul een juist pronomen in. [x]
Vul een juist pronomen in. [x]
Vul een juist pronomen in. [x]
100

Ik heet Philippe.  [X] achternaam is Alvaz.

mijn

100

De studenten hebben niet gestudeerd dus [x] zijn niet geslaagd voor de test. 

ze/zij

100

Gert is moe omdat [x] de hele nacht niet heeft geslapen. 

hij

100

Zijn rug doet pijn daarom gaat [x] morgen naar de dokter. 

hij

200

Maria heeft een dochter die in Amerika woont. [x] spreekt dus vloeiend Engels. 

Zij/Ze

200

Dit is de vrouw van Ahmed.  [X] vrouw heet Zeynep. 

Zijn

200

Goedemorgen meneer Roberts, hoe gaat het met [x]?

u

200

Wij spreken Nederlands en Duits. [X] moedertaal is Nederlands. 

Onze   (de taal) 

300

Is dit jouw zoon? Hij lijkt op [x]! 

jou

300

Ik heb jouw boek niet bij. Maar ik zie je morgen.  Is het goed als ik het boek dan aan [x] geef? 

jou/je

300

Wij hebben één dochter. [x] meisje heet Feline. 

ons (het meisje)

300

Waar is Mark? Ik wacht op [x].

hem

400

Hoe voel je [x] vandaag? 

je

400

De jongen is al zelfstandig. Elke dag kleedt hij [x] alleen aan. 

zich

400

Gerda spreekt Duits. Duits is [X]moedertaal. 

haar

400
Schrijven jullie [x] in voor de nieuwe cursus? 

je

500

Will en Jada komen uit Amerika. [X] nationaliteit is Amerikaans. 

Hun

500

Waar zijn de kinderen? Ik zie [x] niet. 

hen

500

Wij ergeren [x] aan mensen die roken. 


ons

500
Wij willen [x] excuseren voor ons gedrag. 

ons