Maak een goede zin met een relatieve bijzin.
Maak een goede zin met een relatieve bijzin.
Maak een goede zin met een relatieve bijzin.
Maak een goede zin met een relatieve bijzin.
100

We verbleven in Brussel. Wij hebben veel dingen in Brussel bezocht. 

We verbleven in Brussel waar we veel dingen hebben bezocht. 


(plaats) 

100

Ik heb boeiende verhalen gehoord. Deze verhalen zullen mij altijd bijblijven. 

Ik heb boeiende verhalen gehoord die mij altijd zullen bijblijven. 


(de verhalen= die)

100

Ik heb in een 4-sterrenhotel geslapen. Het hotel  heeft mij echt verrast. 

Ik heb in een 4-sterrenhotel geslapen dat me echt heeft verrast.

(het hotel: dat)

100

Dit is mijn reisbegeleider. Ik ben verliefd op hem. 

Dit is de reisbegeleider op wie ik verliefd ben.


(verliefd zijn op)

200

We verbleven in Brussel. Brussel is de hoofdstad van België. 

We verbleven in Brussel dat de hoofdstad van België is. 


(naam van een stad= dat) 

200

We bezochten het stadscentrum. Het stadscentrum is klein en gezellig. 

We bezochten het stadscentrum dat klein en gezellig is. 

(het stadscentrum= dat) 

200
Wij nemen bus 459. Deze bus rijdt naar het centrum. 

We nemen bus 459 die naar het centrum rijdt.


(de bus)

200

Het Louvre is een museum in Parijs. Je moet dit museum absoluut bezoeken. 

Het Louvre is een museum in Parijs dat je absoluut moet bezoeken. 


(het museum: dat) 

300

Ik maak in de zomer een reis naar Colombia. Ik heb al jaren over deze reis gedroomd. 

Ik maak in de zomer een reis naar Colombia waarover ik al jaren heb gedroomd. 


(dromen over) 

300

Mijn man gaf mij souvenirs. Hij had deze souvenirs op een marktje gekocht.  

Mijn man gaf mij souvenirs die hij op een marktje had gekocht. 

(de souvenirs= die)

300

Dat is de vrouw. We hebben bij haar gelogeerd. 

Dat is de vrouw bij wie we hebben gelogeerd.

300

Wij vonden een strand. Bijna niemand lag op dat strand. 

We vonden een strand waarop bijna niemand lag.


(liggen op) 

400

Ik zoek het meisje. Ik sprak op de bus met haar. 

Ik zoek het meisje met wie ik op de bus sprak. 


(spreken met)

400

Deze man is de gids. Je kan je vragen aan hem stellen.

Deze man is de gids aan wie je je vragen kan stellen.  

(vragen stellen aan)

400

Booking.com heeft een app. Je kunt gemakkelijk hotels boeken met deze app. 

 

Booking.com heeft een app waarmee je makkelijk hotels kunt boeken.


(boeken met)



400

Op deze foto zie je twee meisjes. We reisden samen met hen. 

Op de foto zie je twee meisjes met wie we samen reisden. 


(reizen met) 

500

Dit is het hotel. Ik heb een klacht over dit hotel. 

Dit is het hotel waarover ik een klacht heb.


(een klacht hebben over)

500

Dit is het monument. De gids heeft gisteren uren over het monument gesproken. 

Dit is het monument waarover de gids gisteren uren heeft gesproken. 

(spreken over)

500

Beaune is een Frans dorp. Beaune staat bekend om zijn wijnproductie. 

Beaune is een Frans dorp dat om zijn wijnproductie bekendstaat.

OF: 

Beaune is een Frans dorp dat bekendstaat om zijn wijnproductie.

(bekendstaan om. Let op: separabele verba schrijf je opnieuw als één woord in een bijzin)

500

Ibiza is een eiland. Het trekt elk jaar duizenden toeristen aan. 

Ibiza is een eiland dat elk jaar duizenden toeristen aantrekt.

(het eiland: dat)

(let op: separabele verba > 1 woord in de bijzin)