Tijdvak 3
Tijdvak 4
Begrippen tijdvak 3
Begrippen tijdvak 4
100

Wie zijn monniken?

Mannen die hun leven toewijden aan het christendom.

100

Noem tweekenmerken van een stads uit de late middeleeuwen.


Stadsmuur, stadspoort, marktplein, langs een rivier, in de buurt van kerk.

100

Groot gebouw waarin monniken samenwoning. Het had ook grootgrondbezit.

Klooster

100

Grootschalige markt die eens per jaar gehouden wordt en waar contacten worden gelegd russen verschillende landen of streken.

Jaarmarkt

200

Wat gaven horigen op in ruil voor bescherming?

Vrijheid

200

Wat was het doel van een stadsmuur en stadsgracht?

Bescherming

200

Taken die een horige moest uitvoeren op een domein.

Herendiensten

200

Stand van mensen die hun hele leven bezig zijn met de christelijke godsdienst.

Geestelijkheid

300

Hoe heten de drie standen?

Geestelijke, adel, boeren/horigen

300

Waarom werd een stad vaak langs een rivier gebouwd?

Het was makkelijk voor de handel.

300

Iemand die contact met de goeden of met God onderhoudt, bijvoorbeeld door offer te brengen.

Priester

300

Een bepaald vak of vakonderdeel heel goed leren en je alleen daarmee bezighouden

Specialiseren

400

Waar of niet waar: in de tijd van monniken en ridders (de vroege middeleeuwen) was er handel.


Niet waar

400

Waar of niet waar: Bankiers waren vaak niet populair door de hoge rentes voor leningen.

Waar

400

Een systeem van domeinen met horigen, waarin een hof het centrale punt was.

Hofstelsel

400

Iemand die met handwerk een product maakt in een klein eigen bedrijf.

Ambachtsman

500

Wat gebeurde er in 863 in Dorestad?

Werd aangevallen door Vikingen

500

1. specialisatie
2. gebruik van geld
3. meer voedsel
4. meer handel
5. meer mensen

3, 5, 1, 4, 2

500

Zelf in alles voorzien wat je nodig hebt, zonder handel te drijven.

Autarkisch

500

Boek of schrift waarin de inkomsten en uitgaven van een stad werden opgeschreven.

Stadsrekening