kennen erkennen herkennen verkennen
halen behalen ophalen afhalen inhalen uithalen
pakken
100

Wij gaan morgen een nieuwe stad ______.

verkennen

100

Vrijdagavond  ______ we eten bij het Chinese restaurant, om de hoek.

halen af

100

Ik ______ mijn jas, want het is koud.

pak

200

Zij ______ haar rijbewijs nog maar pas.

heeft behaald

300

Hij ______ dat hij vaak te laat was op zijn werk.

erkent

heeft erkend

erkende

300

Kun je mij om 18:00 uur ______ aan het station?

ophalen

400

Ik ______ hem onmiddellijk: zijn haar zag er nog precies zo uit als 10 jaar geleden,  maar ik wist zijn naam niet meer.

herkende /had herkend

400

Ik ben een week ziek geweest en nu moet ik mijn gemiste werk ______.

inhalen