graag koken?
Kookte jij graag?
in een stad wonen?
een gsm gebruiken?
Gebruikte jij een gsm?
met andere kinderen voetballen?
Voetbalde jij met andere kinderen?
naar welke muziek luisteren?
Naar welke muziek luisterde jij?
elke dag afwassen?
Waste jij elke dag af? (separabel! )
jouw kamer opruimen?
Ruimde jij jouw kamer op? (separabel!)
in de kerstman geloven?
Geloofde jij in de kerstman?
over wat praten?
Over wat praatte jij?
graag huiswerk maken?
Maakte jij graag huiswerk?
een sigaret roken?
Rookte jij een sigaret?
Danste jij graag?
wat verzamelen? (bv. flippo's, Diddle, stickers...)
verzamelen= to collect
Wat verzamelde jij?
in de bossen wandelen?
Wandelde jij in de bossen?
geld verdienen?
Verdiende jij geld?
een bekend persoon ontmoeten?
Ontmoette jij een bekend persoon?
met wat spelen?
Met wat speelde jij?
naar andere landen reizen?
Reisde jij naar andere landen?
naar school fietsen?
Fietste jij naar school?
wat willen worden?
Wat wilde jij worden?