JA/NEE-vragen
VRAAGWOORD-vragen
100

jij - veel - drink - cola - ?

Drink jij veel cola?

100

koop - brood - waar - jij - ?

Waar koop jij brood?

200

op - de - maak - oefeningen - de - jij - computer ?

Maak jij de oefeningen op de computer?

200

brengt - de - wie - naar - kinderen - school - ?

Wie brengt de kinderen naar school?

300

het - in - loop - jij - het - weekend - in - park - ?

Loop jij in het weekend in het park?

300

gaan - naar - zee - wanneer - zij - de - ?

Wanneer gaan zij naar de zee?

400

zij - een - gisteren - gelezen - boek - heeft - ?

Heeft zij gisteren een boek gelezen?

400

jouw - hoe - poets - vaak - tanden - jij - ?

Hoe vaak poets jij jouw tanden? 

500

naar - jij - gekeken - het - gisteren - nieuws - heb - ?

Heb jij gisteren naar het nieuws gekeken?

500

op - bus - welke - neem - jij - maandag?

Welke bus neem jij op maandag?