Aan zee
Corvees
Huiswerk
Het weer
Temps primitifs (infinitif et auxiliaire + part. passé)
100

le cerf-volant

de vlieger 

100

Sortir le chien 

De hond uitlaten

100

l'élocution

de spreekbeurt 

100

plus chaud 

warmer

100

Commencer 

Beginnen - zijn begonnen 

200

Mes frères et moi sommes allés à la mer jeudi.

Op donderdag zijn mijn broers en ik naar zee geweest. / Mijn broers en ik zijn op donderdag naar zee geweest. 

200

Je n'ai pas encore tondu la pelouse. 

Ik heb het gras nog niet gemaaid. 

200

J'ai préparé mon élocution samedi matin.

Ik heb mijn spreekbeurt zaterdagmorgen/zaterdagochtend voorbereid. 

200

Hier, il faisait beau et pas brumeux.

Gisteren was het mooi weer en niet mistig. 

200

Sauter

Springen - hebben gesprongen 

300

Ma meilleure amie et moi avons observé les mouettes sur la plage toute la journée. 

Mijn beste vriendin en ik hebben meeuwen de hele dag op het strand geobserveerd.

300

Mon frère et moi devions repasser nos vêtements. 

Mijn broer en ik moesten onze kleren strijken. 

300

As-tu déjà fait ton devoir et complété ton journal de classe? 

Heb je je huiswerk al gemaakt en je schoolagenda al ingevuld? 

300

Ce matin il fait plus humide.

Vanmorgen is het vochtiger. 

300
Ecrire

schrijven - hebben geschreven

400

Tu as fait du vélo jusqu'au phare et tu as regardé le feux d'artifice sur le phare avec ta famille. 

Je hebt tot de vuurtoren gefietst en je hebt het vuurwerk met je familie op de vuurtoren bekeken /

Je hebt tot de vuurtoren gefietst en je hebt naar het vuurwerk met je familie op de vuurtoren gekeken.

400

Ma mère a veillé sur mon frère et devais faire la vaisselle. 

Mijn moeder heeft op mijn broer opgepast en moest afwassen / de afwas doen. 

400

J'ai appris mon vocabulaire mais je n'ai pas encore fait mon devoir de lecture. 

Ik heb mijn woordenschat geleerd maar ik mijn lectuuropdracht nog niet gemaakt.

400

Aujourd'hui, il fait pluvieux et plus froid mais il ne vente pas.

Vandaag is het regenachtig en kouder maar het waait niet.

400

Oublier

vergeten - hebben/zijn vergeten

500

Le week-end dernier, nous nous sommes promenés dans les dunes tout l'après-midi et ensuite nous avons paressé au soleil.

Vorig weekend hebben we de hele (na)middag in de duinen gewandeld en dan/daarna hebben we op het strand geluierd. 

500

Je dois encore ranger ma chambre mais j'ai déjà dressé la table.

Ik moet mijn kamer nog opruimen maar ik heb de tafel al gedekt.  

500
Ce week-end, je devais faire mes exercices de math mais j'ai tenu à jour mes cahiers. 

Dit weekend heb ik mijn wiskunde oefeningen gemaakt maar ik heb mijn schriften bijgehouden. 

500

Il n'y a pas de vendeur de glace sur la plage car il gèle et il tonne. 

Er is geen ijsventer op het strand want het vriest en het dondert. 

500
Acheter

Kopen - hebben gekocht