Cursist A vraagt.
Cursist B antwoordt.
Cursist B vraagt.
Cursist A antwoordt.
100

____________________ jij goed tekenen? 


V: Kan/Kun jij goed tekenen?  (vaardigheid) 


A: + Ja, ik kan goed tekenen. 

     - Nee, ik kan niet goed tekenen. 

100

____________ ik je na de les bellen? 

1.  Kan ik je na de les bellen? (mogelijkheid)

Ja, je kan me na de les bellen.
Nee, je kan me niet na de les bellen.

2. Mag ik je na de les bellen? (toestemming)

Ja, je mag me na de les bellen.
Nee, je mag me niet na de les bellen.  

3. Zal ik je na de les bellen? (voorstel) 

Ja, dat is goed. 

Nee, dat moet niet. 

200

___ je na de les studeren of rusten?

V:  Ga je na de les studeren of rusten? (plan) 

     Wil je na de les studeren of rusten? (wens) 

A: Ik ga na de les studeren. / Ik ga na de les rusten. 

Ik wil na de les studeren. / Ik wil na de les rusten. 

200

____________ je in jouw land gaan stemmen?  Is er een stemplicht?


Moet je in jouw land gaan stemmen?  Is er een stemplicht? (verplichting)


Ja, je moet in mijn land gaan stemmen. 

Nee, je moet niet in mijn land gaan stemmen. 

300

______________ jij elke dag vroeg opstaan voor jouw werk?

 

V: Moet jij elke dag vroeg opstaan voor jouw werk? (noodzaak) 

A: Ja, ik moet elke dag vroeg opstaan voor mijn werk. 

Nee, ik moet niet elke dag vroeg opstaan voor mijn werk. 

300

___________ je een instrument spelen?

Kan je een muziekinstrument spelen? (vaardigheid)


Ja, ik kan een muziekinstrument spelen. 

Nee, ik kan geen muziekinstrument spelen. 

400

_____________ je van je baas  tijdens het werk naar muziek luisteren?


vraag: Mag je van je baas  tijdens het werk naar muziek luisteren? (toestemming)


antwoord: Ja, ik mag van mijn baas tijdens het werk naar muziek luisteren. 

Nee, ik mag niet van mijn baas tijdens het werk naar muziek luisteren. 

400

________________je in de zomer op vakantie gaan?

1. Zal/Zul je in de zomer op vakantie gaan? (toekomst)

Ja, ik zal in de zomer op vakantie gaan. 

Nee, ik zal niet in de zomer op vakantie gaan. 


Bij intentie/plan: Ga je in de zomer op vakantie (geen infinitief 'gaan')? 

500

Welke hobby __________________ je doen als je meer tijd had?

 

Vraag: Welke hobby zou je doen als je meer tijd had? (onwerkelijke voorwaarde) 


Antwoord: Ik zou een nieuwe taal leren. / Ik zou in de tuin werken. / Ik zou gaan voetballen...

500

_______________ je mijn huiswerk willen maken, alsjeblieft?

 

vraag: Zou je mijn huiswerk willen maken, alsjeblieft?  (beleefde vraag) 


Antwoord: 

Ja, dat is goed. 

Nee, dat ga ik niet doen.