Land en mensen
Woordenschat
Grammatica
Eten en drinken
Overig
100

Wat is de hoofdstad van Nederland?


Amsterdam

100

Hoe zeg je „Lieblingsfach“ in het Nederlands?


lievelingsvak


100

Wat is de verleden tijd van „gaan“ (ik-vorm)


Ik ging 

100

Hoe zeg je „das Frühstück“ in het Nederlands?


Het ontbijt 

100

Hoe zeg je „Gute Nacht“ in het Nederlands?


Goedenacht

200

Welke kleur draagt het Nederlandse nationale voetbalteam?

Oranje 

200

Hoe zeg je in het Nederlands: „Ich habe Hunger“?


Ik heb honger. 

200

Maak een correcte zin:

„morgen / wij / naar Amsterdam / gaan“


Morgen gaan wij naar Amsterdam. 

200

Wat eet men vaak op brood in Nederland? Noem twee voorbeelden.


Kaas, pindakaas, jam, ham, hagelslag

200

Hoe vraag je in het Nederlands naar iemands leeftijd?


Hoe oud ben je?

300

Noem twee grote steden in Nederland (niet Amsterdam).


 bijv. Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Eindhoven


300

Vertaal in het Nederlands:

„Ich gehe nach der Schule nach Hause.“


Ik ga na school naar huis. 

300

Vul het juiste woord in:

„Ik heb ___ boek gelezen.“ (een / de)


Een

300

Vertaal:

„Ik drink ’s ochtends meestal thee of koffie.“


Ich trinke morgens meistens Tee oder Kaffee. 

300

Vertaal:

„Mijn hobby is naar muziek luisteren en gamen.“


Meine Hobbys sind Musik hören und zocken. 

400

Wat zijn twee dingen voor die Nederland in het buitenland bekend is?

Bijvoorbeeld molens, tulpen, stroopwafels, het platte land, fietsen 


400

Vertaal:

„Mijn vriend woont niet ver van school.“


Mein Freund wohnt nicht weit weg von der Schule. 

400

Zet de zin in het perfectum:

„Wij maken ons huiswerk.“


Wij hebben ons huiswerk gemaakt. 

400

Je bent in een café. Hoe vraag je beleefd:

„Kann ich bitte eine Cola bekommen?“


Mag ik een cola, alstublieft? 

400

Maak een vraag met „waarom“:

„Jij leert Nederlands.“


Waarom leer je Nederlands?

500

Hoe heet de koning van Nederland?


koning Wilhelm-Alexander 

500

Vertaal in het Nederlands:

“Wenn das Wetter schön ist, fahren wir oft mit dem Fahrrad in die Stadt.”

Als het weer mooi is fietsen we vaak naar de stad.

500

Maak een bijzin met „omdat“:

„Ik blijf thuis. Ik ben ziek.“


Ik blijf thuis omdat ik ziek ben. 

500

Wat kun je in Nederland “uit de muur” (aus der Mauer / Wand”) kopen? 

typische snacks zijn bvb. bitterballen, kroketten, frikandel, patat etc. 

500

Vertaal in het Duits:

„Volgend jaar willen wij met de klas naar Nederland reizen.“


Nächstes Jahr wollen wir mit der Klasse in die Niederlande reisen.