Wat is de hoofdstad van Nederland?
Amsterdam
Hoe zeg je „Lieblingsfach“ in het Nederlands?
lievelingsvak
Wat is de verleden tijd van „gaan“ (ik-vorm)
Ik ging
Hoe zeg je „das Frühstück“ in het Nederlands?
Het ontbijt
Hoe zeg je „Gute Nacht“ in het Nederlands?
Goedenacht
Welke kleur draagt het Nederlandse nationale voetbalteam?
Oranje
Hoe zeg je in het Nederlands: „Ich habe Hunger“?
Ik heb honger.
Maak een correcte zin:
„morgen / wij / naar Amsterdam / gaan“
Morgen gaan wij naar Amsterdam.
Wat eet men vaak op brood in Nederland? Noem twee voorbeelden.
Kaas, pindakaas, jam, ham, hagelslag
Hoe vraag je in het Nederlands naar iemands leeftijd?
Hoe oud ben je?
Noem twee grote steden in Nederland (niet Amsterdam).
bijv. Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Eindhoven
Vertaal in het Nederlands:
„Ich gehe nach der Schule nach Hause.“
Ik ga na school naar huis.
Vul het juiste woord in:
„Ik heb ___ boek gelezen.“ (een / de)
Een
Vertaal:
„Ik drink ’s ochtends meestal thee of koffie.“
Ich trinke morgens meistens Tee oder Kaffee.
Vertaal:
„Mijn hobby is naar muziek luisteren en gamen.“
Meine Hobbys sind Musik hören und zocken.
Wat zijn twee dingen voor die Nederland in het buitenland bekend is?
Bijvoorbeeld molens, tulpen, stroopwafels, het platte land, fietsen
Vertaal:
„Mijn vriend woont niet ver van school.“
Mein Freund wohnt nicht weit weg von der Schule.
Zet de zin in het perfectum:
„Wij maken ons huiswerk.“
Wij hebben ons huiswerk gemaakt.
Je bent in een café. Hoe vraag je beleefd:
„Kann ich bitte eine Cola bekommen?“
Mag ik een cola, alstublieft?
Maak een vraag met „waarom“:
„Jij leert Nederlands.“
Waarom leer je Nederlands?
Hoe heet de koning van Nederland?
koning Wilhelm-Alexander
Vertaal in het Nederlands:
“Wenn das Wetter schön ist, fahren wir oft mit dem Fahrrad in die Stadt.”
Als het weer mooi is fietsen we vaak naar de stad.
Maak een bijzin met „omdat“:
„Ik blijf thuis. Ik ben ziek.“
Ik blijf thuis omdat ik ziek ben.
Wat kun je in Nederland “uit de muur” (aus der Mauer / Wand”) kopen?
typische snacks zijn bvb. bitterballen, kroketten, frikandel, patat etc.
Vertaal in het Duits:
„Volgend jaar willen wij met de klas naar Nederland reizen.“
Nächstes Jahr wollen wir mit der Klasse in die Niederlande reisen.