Eerst volg je het basisonderwijs, dan het .... onderwijs.
Secundair
Deze persoon poetst in jouw huis.
Poetsman / poetsvrouw / poetshulp
Waarom studeer jij Nederlands? Om... te...
Om met mensen te praten, om met buren te praten, om mijn kinderen te helpen, om een job te vinden...
Maak de zin opnieuw met 'vroeger'. Ik doe basisonderwijs.
Ik deed basisonderwijs.
Verbind de twee zinnen. Ik neem een douche, ik ga naar school. (eerst, dan)
Eerst neem ik een douche, dan ga ik naar school.
Na het secundair onderwijs kan je hier studeren.
de universiteit of de hogeschool
Deze persoon rijdt met de bus.
De buschauffeur
Waarom ben jij naar België gekomen?
Om een beter leven te vinden, om geld te verdienen, om me veilig te voelen
Maak de zin opnieuw met 'vroeger'. Ik volg secundair onderwijs.
Ik volgde secundair onderwijs.
Ik studeer Nederlands. Ik wil een goede job vinden. (want)
Ik studeer Nederlands, want ik wil een goede job vinden.
Studeren ... de universiteit
aan
Met deze personen werk je samen.
Collega's
Hoe oud waren jullie toen jullie naar België kwamen?
Ik was... jaar, toen ik naar België kwam.
Maak de zin opnieuw met 'vroeger'. Ik heb niet altijd werk. Soms werk ik in een café.
Ik had niet altijd werk. Soms werkte ik in een café.
Ik was te laat op school. Ik stond in de file. (omdat)
Ik was te laat op school, omdat ik stond in de file stond.
Een diploma ... (krijgen)
Behalen
Als je in een fabriek werkt, werk je als...
Arbeider
Wat vind jij van het weer in België? Waarom?
Ik vind het weer in België (goed / slecht / fantastisch / afschuwelijk...), want / omdat...
Maak de zin opnieuw met 'vroeger'. Ik ga graag naar school en studeer elke dag.
Ik ging graag naar school en ik studeerde elke dag.
Ik was 17 jaar. Ik woonde in Brussel. (toen)
Ik was 17 jaar, toen ik in Brussel woonde.
een opleiding ... (verbum)
volgen
Als je aan een bureau werkt in een bank, dan werk je als...
bankbediende
Hoe voelden jullie je toen jullie naar België kwamen?
Ik voelde me..., toen ik naar België kwam.
Maak de zin opnieuw met 'vroeger'. Ik vertrek uit mijn land en ik kom naar België.
Ik vertrok uit mijn land en ik kwam naar België.
Ik was 30 jaar. Ik kreeg een kind. (toen)
Toen ik 30 jaar was, kreeg ik een kind.