Adv. pronominaux
(zinnen)
Adv. pronominaux
( vragen)
Vormen van intelligentie
Vormen van intelligentie
Woordenschat
100

Ik praat over mijn werk. 

Ik praat erover 

100

Ik denk aan mijn toekomst.

Waar denk je aan?

Waaraan denk je?

100

J’aime calculer.

Ik houd van rekenen.

100

J’ai beaucoup d’amis.

 Ik heb veel vrienden.

100

calcul mental 

hoofdrekenen

200

Ik kijk zelden naar de dieren.

Ik kijk er zelden naar

200

Ik luister naar muziek.

Waar luister je naar?
Waarnaar luister je?

200

Je pense en mots.

Ik denk in woorden.

200

J’aime dessiner et bricoler.

 Ik houd van tekenen en knutselen.

200

le poème 

het gedicht 

300

Ik speel vaak met de gitaar.

Ik speel er vaak mee

300

Ik werk met Word.

 Waar werk je mee?

 Waarmee werk je?

300
J'aime écouter les autres

Ik luister graag naar anderen.

300

Je me connais bien.

Ik ken mezelf goed.

300

siffler 

fluiten 

400

Wij lopen altijd naar het park.

Wij lopen er altijd naartoe

400

Ik ga naar school.

Waar ga je naartoe ? 

400

Je veux toujours faire de mon mieux.

Ik wil altijd mijn best doen.

400

Je sais ce que je veux.

 Ik weet wat ik wil.

400

la responsabilité 

de verantwoordelijkheid 

500

Hij komt van de bibliotheek.

👉Hij komt ervandaan.

500

Ik kom van school.

Waar kom je vandaan ? 

500

J’observe avec précision.

Ik observeer nauwkeurig.

500

Je chante et je siffle souvent.

Ik zing en fluit vaak.

500

raisonner 

redeneren