Kolom 1
Kolom 2
Kolom 3
Kolom 4
Kolom 5
100

sporten

Heb je dit weekend gesport?

Ja, ik heb dit weekend gesport.

Nee, ik heb dit weekend niet gesport.

100

vroeg opstaan*

Ben je dit weekend vroeg opgestaan?

Ja, ik ben dit weekend vroeg opgestaan.

Nee, ik ben dit weekend niet vroeg opgestaan.

100

op citrytrip zijn*

Ben jij dit weekend op citytrip geweest?

Ja, ik ben dit weekend op citytrip geweest.

Nee, ik ben dit weekend niet op citytrip geweest.

100

in je dagboek schrijven*

Heb je dit weekend in je dagboek geschreven?

Ja, ik heb dit weekend in mijn dagboek geschreven.

Nee, ik heb dit weekend niet in mijn dagboek geschreven.

100

een spelletje spelen

Heb je dit weekend een spelletje gespeeld?

Ja, ik heb dit weekend een spelletje gespeeld.

Nee, ik heb dit weekend geen spelletje gespeeld.

200
zwemmen*

Heb je dit weekend gezwommen?

Ja, ik heb dit weekend gezwommen.

Nee, ik heb dit weekend niet gezwommen.

200

met de computer werken

Heb je dit weekend met de computer gewerkt?

Ja, ik heb dit weekend met de computer gewerkt.

Nee, ik heb dit weekend niet met de computer gewerkt.

200

naar een serie kijken*

Heb je dit weekend naar een serie gekeken?

Ja, ik heb dit weekend naar een serie gekeken.

Nee, ik heb dit weekend niet naar een serie gekeken.

200

medicatie innemen*

Heb je dit weekend medicatie ingenomen.

Ja, ik heb dit weekend medicatie ingenomen.

Nee, ik heb dit weekend geen medicatie ingenomen.

200

huiswerk maken

Heb je dit weekend huiswerk gemaakt?

Ja, ik heb dit weekend huiswerk gemaakt.

Nee, ik heb dit weekend geen huiswerk gemaakt.

300

stofzuigen

Heb je dit weekend gestofzuigd?

Ja, ik heb dit weekend gestofzuigd.

Nee, ik heb dit weekend niet gestofzuigd.

300

iets op sociale media posten

Heb je dit weekend iets op sociale media gepost?

Ja, ik heb dit weekend iets op sociale media gepost.

Nee, ik heb dit weekend niets op sociale media gepost.

300

naar een vriend bellen

Heb je dit weekend naar een vriend gebeld?

Ja, ik heb dit weekend naar een vriend gebeld.

Nee, ik heb dit weekend niet naar een vriend gebeld.

300

vrienden bezoeken*

Heb je dit weekend vrienden bezocht?

Ja, ik heb dit weekend vrienden bezocht.

Nee, ik heb dit weekend geen vrienden bezocht.

300

op je telefoon scrollen

Heb je dit weekend op je telefoon gescrold?

Ja, ik heb op mijn telefoon gescrold.

Nee, ik heb niet op mijn telefoon gescrold.

400

met vrienden afspreken*

Heb je dit weekend met vrienden afgesproken?

Ja, ik heb dit weekend met vrienden afgesproken.

Nee, ik heb dit weekend niet met vrienden afgesproken.

400

solliciteren

Heb je dit weekend gesolliciteerd?

Ja, ik heb dit weekend gesolliciteerd.

Nee, ik heb dit weekend niet gesolliciteerd.

400

kleren kopen*

Heb je dit weekend kleren gekocht?

Ja, ik heb dit weekend kleren gekocht.

Nee, ik heb dit weekend geen kleren gekocht.

400

veel slapen*

Heb je dit weekend veel geslapen?

Ja, ik heb dit weekend veel geslapen.

Nee, ik heb dit weekend niet veel geslapen.

400

frietjes eten*

Heb je dit weekend frietjes gegeten?

Ja, ik heb dit weekend frietjes gegeten.

Nee, ik heb dit weekend geen frietjes gegeten.

500

koffie drinken*

Heb je dit weekend koffie gedronken?

Ja, ik heb dit weekend koffie gedronken.

Nee, ik heb dit weekend geen koffie gedronken.

500

poetsen

Heb je dit weekend gepoetst?

Ja, ik heb dit weekend gepoetst.

Nee, ik heb dit weekend niet gepoetst.

500

naar de markt gaan*

Ben je dit weekend naar de markt gegaan?

Ja, ik ben dit weekend naar de markt gegaan.

Nee, ik ben dit weekend niet naar de markt gegaan.

500

nieuwe schoenen passen

Heb je dit weekend nieuwe schoenen gepast?

Ja, ik heb dit weekend nieuwe schoenen gepast.

Nee, ik heb dit weekend geen nieuwe schoenen gepast.

500

iemand helpen*

Heb je dit weekend iemand geholpen?

Ja, ik heb dit weekend iemand geholpen.

Nee, ik heb dit weekend niemand geholpen.