Maak goede vragen en antwoorden.
Maak goede vragen en antwoorden.
Maak goede vragen en antwoorden.
Maak goede vragen en antwoorden.
Maak goede vragen en antwoorden.
100

een puzzel van 1000 stukken maken?

Heb jij een puzzel van 1000 stukken gemaakt? 


+ Ja, ik heb een puzzel van 1000 stukken gemaakt.

- Nee, ik heb geen puzzel van 1000 stukken gemaakt.   (een > geen)

100

naar het centrum fietsen? 

Ben jij naar het centrum gefietst? 


+ Ja, ik ben naar het centrum gefietst. 

- Nee, ik ben niet naar het centrum gefietst. 

(verbum 'zijn' + naar + mobiliteit   + niet voor prepositie 'naar') 

100

stoofvlees bereiden?

Heb je stoofvlees bereid? 


+ Ja, ik heb stoofvlees bereid. 

- Nee, ik heb geen stoofvlees bereid.

(geen + substantief zonder artikel) 

100

het plafond schilderen? 

Heb jij het plafond geschilderd? 


Ja, ik heb het plafond geschilderd. 

Nee, ik heb het plafond niet geschilderd. 

(niet na het+substantief) 

100

Nives mailen? 

Heb jij Nives gemaild? 


+ Ja, ik heb Nives gemaild. 

- Nee, ik heb Nives niet gemaild. 

(niet na naam) 

200
de Eifeltoren bezoeken? 

Heb jij de Eifeltoren bezocht? 


+ Ja, ik heb de Eifeltoren bezocht.

-Nee,  ik heb de Eifeltoren niet bezocht.

(de + substantief + niet)  

200

5 liter wijn drinken?

Heb jij 5 liter wijn gedronken? 


+ Ja, ik heb 5 liter wijn gedronken.


-Nee, ik heb geen 5 liter wijn gedronken.

(geen + cijfer)

200

Nederlands spreken? 

Heb jij Nederlands gesproken? 


+ Ja, ik heb Nederlands gesproken. 

- Nee, ik heb geen Nederlands gesproken. 

200

een plastic zwembad kopen? 


Heb jij een plastic zwembad gekocht? 


+ Ja, ik heb een plastic zwembad gekocht. 

- Nee, ik heb geen plastic zwembad gekocht. 

(een > geen) 

200

iets nieuws proberen? 

Heb jij iets nieuws geprobeerd? 


+ Ja, ik heb iets nieuws geprobeerd. 

- Nee, ik heb niets nieuws geprobeerd. 

(iets > niets) 

300

de buurman uitnodigen? 

Heb jij de buurman uitgenodigd? 


+ Ja, ik heb mijn buurman uitgenodigd.


-Nee, ik heb mijn buurman niet uitgenodigd.

(mijn + substantief + niet)  

300

met de fiets vallen? 


Ben jij met de fiets gevallen? 


+ Ja, ik ben met de fiets gevallen. 

- Nee, ik ben niet met de fiets gevallen. 

(niet voor prepositie 'met') 

300

nog Nederlands studeren? 

Heb jij nog Nederlands gestudeerd? 


+ Ja, ik heb nog Nederlands gestudeerd. 

- Nee, ik heb geen Nederlands meer gestudeerd. 

(nog > niet/geen meer)

300

veel ijsjes eten? 

Heb jij veel ijsjes gegeten? 


+ Ja, ik heb veel ijsjes gegeten. 

- Nee, ik heb niet veel ijsjes gegeten. 

(niet voor hoeveelheid 'veel') 

300

gaan uiteten? 

Ben je gaan uiteten? 


+ Ja, ik ben gaan uiteten. 

- Nee, ik ben niet gaan uiteten. 

400

een spannend boek lezen? 

Heb jij een spannend boek gelezen? 


+ Ja, ik heb een spannend boek gelezen. 

- Nee, ik heb geen spannend boek gelezen. 

(een > geen) 

400

deze oefening al maken? 

Heb jij deze oefening al gemaakt? 


+ Ja, ik heb deze oefening al gemaakt. 

- Nee, ik heb deze oefening nog niet gemaakt. 

(al > nog niet  + na 'deze/die/dat/dit + substantief)

400

van de zon genieten? 

Heb jij van de zon genoten? 


+ Ja, ik heb van de zon genoten. 

- Nee, ik heb niet van de zon genoten. 

(niet voor prepositie 'van') 

400

's avonds buitenzitten?

Heb jij 's avonds buitengezeten? 


+ Ja, ik heb 's avonds buitengezeten. 

- Nee, ik heb 's avonds niet buitengezeten.

(niet na tijd) 

400

jouw kleerkast opruimen? 

Heb jij jouw kleerkast opgeruimd? 


+ Ja, ik heb mijn kleerkast opgeruimd. 

- Nee, ik heb mijn kleerkast niet opgeruimd.

(possessief pronomen + substantief+ niet) 

500

1 mei moeten werken? 

Heb jij 1 mei moeten werken? 


+ Ja, ik heb 1 mei moeten werken.

-Nee, ik heb 1 mei  niet  moeten werken.

(niet na tijd)  

500

langer kunnen slapen? 

Heb jij langer kunnen slapen? 


+ Ja, ik heb langer kunnen slapen.

-Nee, ik heb niet langer kunnen slapen.

(niet + adjectief)

500
de lentepoets doen? 

Heb jij de lentepoets gedaan? 


+ Ja, ik heb de lentepoets gedaan. 

- Nee, ik heb de lentepoets niet gedaan. 

(niet na de+ substantief) 

500

deze film zien? 


Heb jij deze film gezien? 


+ Ja, ik heb deze film gezien. 

- Nee, ik heb deze film niet gezien.

(deze/die/dit/dat + substantief+niet) 

500

zondagochtend sporten? 

Heb jij zondagochtend gesport? 


Ja, ik heb zondagochtend gesport. 

Nee, ik heb zondagochtend niet gesport.

(niet na tijd)