A
B
C
D
E
100

boodschappen doen

Heb je boodschappen gedaan?

100
winkelen

Heb je gewinkeld?

100

Nederlands praten

Heb je Nederlands gepraat?
100

een pintje drinken

Heb je een pintje gedronken?

100

dansen

Heb je gedanst?

200
feest vieren

Heb je feest gevierd?

200

pasta maken

Heb je pasta gemaakt?

200

fietsen

Heb je gefietst?

200

op restaurant gaan

Ben je op restaurant gegaan/geweest?

200

op Canvas kijken

Heb je op Canvas gekeken?

300

Muziek luisteren

Heb je muziek geluisterd?

300

familie bellen

Heb je familie gebeld?

300

naar de markt gaan

Ben je naar de markt geweest?

300

naar de zee gaan

Ben je naar de zee gegaan/geweest?

300

vakantieplannen maken

Heb je vakantieplannen gemaakt?

400
tanden poetsen

Heb je je tanden gepoetst?

400

sporten

Heb je gesport?

400

in het park wandelen

Heb je in het park gewandeld?

400

het huis poetsen

Heb je het huis gepoetst?

400

een muziekinstrument spelen

Heb je een muziekinstrument gespeeld?

500

vrienden bezoeken

Heb je vrienden bezocht?

500

frietjes halen (bij de frituur)

Heb je frietjes gehaald (bij de frituur)?

500

een film kijken

Heb je een film gekeken?

500

een nieuw Nederlands woord leren

Heb je een nieuw Nederlands woord geleerd?

500

werken

Heb je gewerkt?