Maak goede vragen en antwoorden.
Maak goede vragen en antwoorden.
Maak goede vragen en antwoorden.
Maak goede vragen en antwoorden.
100

 (een bloedneus hebben) 

Heb jij al eens een bloedneus gehad? 


+ Ja, ik heb al eens een bloedneus gehad.

- Nee, ik heb nog geen bloedneus gehad. 

(een -> geen) 

100

 (zich verslikken)

Heb jij je al eens verslikt? 


+ Ja, ik heb me al eens verslikt. 

- Nee, ik heb me nog nooit verslikt.

( na verbum 1)  

100

 (oververhit raken)

Ben je al eens oververhit geraakt? 


Ja, ik ben al eens oververhit geraakt. 

Nee, ik ben nog nooit oververhit geraakt. 

(na verbum 1)

100

 (flauwvallen) 

Ben je al eens flauwgevallen? 


+ ja, ik ben al eens flauwgevallen. 

- Nee, ik ben nog nooit flauwgevallen. 

(na verbum 1)

200

 (een object inslikken?) 

Heb je al eens een object ingeslikt? 


Ja, ik heb al eens een object ingeslikt. 

- Nee, ik heb nog geen object ingeslikt. 

(een -> geen) 

200

 (hyperventileren) 

Heb jij al eens gehyperventileerd? 


+ Ja, ik heb al eens gehyperventileerd. 

- Nee, ik heb nog nooit gehyperventileerd. 

(na verbum 1)

200

(je  hand verbranden?)

Heb jij je hand al eens  verbrand? 


+ Ja, ik heb  mijn hand al eens  verbrand. 

- Nee, ik heb mijn hand nog nooit verbrand. 

(na possessief pronomen + substantief)


200

 (je arm breken) 

Heb je  je arm al eens gebroken? 


+ Ja, ik heb mijn arm al eens gebroken. 

- Nee, ik heb mijn arm nog nooit gebroken. 

(na possessief pronomen + substantief) 

300

(in je vinger snijden) 

Heb jij al eens in je vinger gesneden? 


+ Ja, ik heb al eens in mijn vinger gesneden. 

- Nee, ik heb nog nooit in mijn vinger gesneden. 


(voor prepositie 'in')

300

 (je enkel verstuiken) 

Heb je  je enkel al eens verstuikt? 


+ Ja, ik heb mijn enkel al eens verstuikt. 

- Nee, ik heb mijn enkel nog nooit verstuikt. 

(na possessief pronomen + substantief) 

300

 (een giftige stof doorslikken?) 

Heb je al eens een giftige stof doorgeslikt? 


+ Ja, ik heb al eens een giftige stof doorgeslikt. 

- Nee, ik heb nog geen giftige stof doorgeslikt. 

300

 (naar de spoed gaan?) 

Ben jij al eens naar de spoed gegaan? 


+ Ja, ik ben al eens naar de spoed gegaan. 

- Nee, ik ben nog nooit naar de spoed gegaan. 

(voor prepositie 'naar')

400

(met de fiets vallen)

Ben je al eens met de fiets gevallen? 


+ Ja, ik ben al eens met de fiets gevallen. 

- Nee, ik ben nog nooit met de fiets gevallen. 

( voor prepositie 'met')

400

 (elektrocuteren) 

Ben je al eens geëlektrocuteerd? 


+ Ja, ik ben al eens geëlektrocuteerd. 

- Nee, ik ben nog nooit geëlektrocuteerd. 

(na verbum 1)


400

 (door een bij steken) 

Ben je al eens door een bij gestoken? 


+ Ja, ik ben al eens door een bij gestoken.

- Nee, ik ben nog nooit door een bij gestoken. 

(voor prepositie 'door') 

400

 (alternatieve geneeskunde proberen?) 

Heb jij al eens alternatieve geneeskunde geprobeerd? 


+ Ja, ik heb al eens alternatieve geneeskunde geprobeerd. 

- Nee, ik heb nog geen alternatieve geneeskunde geprobeerd. 


( substantief zonder artikel: geen)